Ramen en Deuren

Gisteren kwamen de mannen van het ramen- en deurenbedrijf om in het Eerste Kleine Huis de ramen en deuren te plaatsen. Het Eerste Kleine Huis is vanaf nu een echt huis, zo voelt het. ‘Binnen’ en ‘buiten’ zijn nu definitief van elkaar gescheiden.

Het huisje ziet er nu zó uit. Onder de foto zie je hoe het volgens ons sketchup ontwerp allemaal bedacht was. De schoorsteen die op het sketchup-plaatje nog te zien is, komt overigens te vervallen. Ruud en ik hebben een tijd terug al besloten dat we geen houtkacheltjes in de huisjes plaatsen, maar dat we kiezen voor een vorm van elektrische verwarming. We hebben het helemaal gehad met de haardhoutlucht die hier tussen de huizen hangt op koude dagen. We willen het op ons terrein graag nog enigszins fris houden als er ‘callefacción’ nodig is.

 

Hieronder zie je een vergelijking tussen het sketchup-ontwerp en ‘het echie’ voor wat betreft de voorgevel, de oceaanzijde, van het huisje.

 

Van binnenuit gezien, ziet alles er momenteel zó uit. Achtereenvolgens: keukenraam, slaapkamerdeur, raam boven de zithoek, badkamerraam en deur van de zithoek, met uitzicht op het Cruz-de-Matos als je op de bank zit.

 

De keuken.

 

De zithoek.

 

Dit prachtige bloesemboompje moest ook op de foto. Het staat pal naast het Eerste Kleine Huis. Verderop, in de zomer,  eten we hier perziken van.

 

De ramen en deuren kwamen dus volgens plan. Alle andere zaken die voor deze week op de rol stonden, het schilderen van de binnenmuren en de start van de aanleg van het terras, konden niet door gaan. Jorge moest zich ziek melden vanwege een opspelende blessure in de knieën. Stratenmakerskwaal, vrees ik. Angel kon een week niet werken omdat zijn vrouw voor een operatie moest worden opgenomen voor een operatie in het ziekenhuis in Tenerife, en hij bij haar wilde zijn. We hopen dat alles goed gaat en dat ze snel weer kunnen komen werken. Tegelijkertijd is voor ons al een tijdje alle tijdsdruk weg gevallen. We zien wel wanneer alles afkomt, en we komen er mee weg als we rond december helemaal klaar zullen zijn. Met alles. We gaan er vooralsnog vanuit dat dat gaat lukken. Het Eerste Kleine Huis zal eind maart/begin april klaar zijn. Het zwembad volgt dan in mei of juni. Is het plan. Op dit moment.

Deze week kwam ook het hek rondom het Grote Huis helemaal af. Het toegangshek bij de voordeur van het huis, laatste ontbrekende schakel, werd door Ruud uitgedacht, ontworpen, ingekocht, in elkaar gezet en gemonteerd. Hieronder zie je de trotse ontwerper vanachter zijn ontwerp.

 

Wij vinden het alle2 een cool hekje geworden. Let bijvoorbeeld eens op het sluitingsmechanisme, hieronder in (niet heel erg scherpe) close-up. Door Ruud bedacht, nadat het nergens lukte om passende grendels te vinden.

 

Ruud werkt nog aan een app waarmee Siri of Google Home het hekje kunnen openen voor je. Eergisteren mislukte de pilot, helaas. Het hekje is al wel Sanne-proof. Ze komt er niet doorheen.

 

Voorlopig gaat het hek alleen open met deze applicatie. (En voor alle duidelijkheid:  die hangt áchter het hek).

Verjaardagsfeest

Ruud was jarig, eergisteren. We vierden zijn verjaardag voor de derde keer op La Palma. En al voor de 30ste keer, traditiegetrouw, met ons 2, zonder verjaardagsvisite.

 

Het was een dag met prachtig zonnig weer. We besloten om op onze moutainbikes een tocht te maken over de kleine weggetjes beneden Puntagorda, zover mogelijk naar het zuiden, totdat we zouden moeten stoppen bij de barranco die tussen ons dorp en het gehucht Tinizara ligt. Bij die barranco houden de kleine weggetjes op.

 

We deden er de hele middag over, zonder dat we heel erg veel kilometers maakten. We bekeken de grote avocado-plantages, omdat er altijd iets te leren valt. We genoten van het zonlicht, het groene landschap en de wijde vergezichten over de oceaan.

 

Op de laatste foto van het blok hierboven zie je een huis dat enige tijd geleden door Óscar is gebouwd. Op de foto hieronder zie je het model zwembad dat hij ook bij ons Eerste Kleine Huis wil gaan aanleggen. Alleen de oriëntatie naar de zee is bij ons anders, namelijk over de lange zijde.

 

We reden langs het andere ‘zwembad’, de Balsa. Eén van de twee grote waterbekkens waar het irrigatiewater voor het dorp wordt opgeslagen. De Balsa is weer helemaal gevuld. Dat is lang geleden!

 

We staan er op een middag als deze altijd nog versteld van dat we op deze plek mogen wonen. Het is hier zo mooi, en er is zoveel ruimte.

 

Na ons bezoek aan de grote avocadoplantages, klommen we langs het kerkhof van het dorp een meter of tweehonderd naar omhoog om onze fietsmiddag te vervolgen op de Pista del Canal. Wederom naar het zuiden.

 

Op de Pista del Canal keken we nog eens goed naar het tuinontwerp van één van de vakantiehuizen die daar staan. Zo’n terrasje ziet er leuk uit en is toch redelijk eenvoudig te ontwerpen, lijkt ons. Toch?

 

Dat is al moeilijker met het stukje tuinontwerp hieronder. We gaan het te zijnertijd tóch proberen.

 

Langs de pista ligt ook de heuveltop van Don Pancho. Aan deze top bewaren we goede herinneringen. Aan de voet van de heuvel ligt het vakantiehuis El Polear. Met de vakanties die we doorbrachten in dát huisje, begon onze liefde voor Puntagorda en het noordwesten van La Palma. De eerste van deze vakanties was in 2008. Alweer zo lang geleden…

Vanaf de heuveltop heb je naar alle kanten een prachtig uitzicht, als je langs de telecommast heen kijkt. (Maar dat lukt, het is een brede heuveltop).

 

Vanaf de Pista klommen we door de wijken Fagundo en El Roque naar de hoofdweg, de LP1, die op ongeveer zeven honderd meter boven zeeniveau ligt.

 

We reden over de brede hoofdweg van het dorp, de Avenida, terug richting ons huis.

 

Daar aangekomen stond ‘de verjaardagstaart’ op het programma. Eénenvijfig chocoladestokjes (voor kinderen vanaf zeven jaar) voor de jarige job. Jarige Job slaagde er (geheel conform verwachting) in om de eerste achtentwintig jaren  in no-time weg te werken. Helaas geen foto, maar ze werden op een gegeven moment met drie levensjaren tegelijk naar binnen gewerkt, zonder er bij na te denken. Ruud is soms zó voorspelbaar 🙂

 

Zo rond half negen was de verjaardagstaart voldoende in de maag gezakt om te kunnen afsluiten bij de Favoriete Pizzeria, Flor de Lotus.

 

Voorspelbare verjaardagen, zonder al teveel poespas, maar lekker in de zon, zijn het leukst. Vinden wij. Volgend jaar hopen we het weer zo te kunnen doen.

Oorlog met Uitjes

Twee zondagen geleden alweer, ik kan dat snelle, veelzijdige  leven van ons eenvoudigweg niet bijbenen in dit blog, twee zondagen geleden was het koud en somber in Puntagorda. Toch wilden we het huis uit, wilden we wat ondernemen op onze vrije dag. Zoals we vaker doen, als het weer in ons dorp niet al te best is, besloten we om met de auto zuidwaarts langs de westkust te rijden. Zonder een plan.

We kwamen via tussenstops in Tazacorte Puerto en Puerto Naos uit bij het nieuwe, kleine museum van de Caños del Fuego, het museum van de vuurtunnels. Google Translate vertaalt deze naam overigens als ‘het museum van de brandblusleidingen’. Ook een leuk thema voor een museum.

 

In 1949 zijn er midden op de Cumbre  Vieja, de zuidelijke vulkaanrug van het eiland,  in korte tijd drie vulkaanuitbarstingen geweest. Achtereenvolgens kwam er een lavastroom op gang uit de Volcan Durazno, de Llano del Banco en de Hoyo Negro.  De uitbarstingen begonnen in dat jaar op 23 juni en  worden daarom samen aangeduid als de San Juan uitbarsting, genoemd naar de dagheilige-van-dienst binnen de RK-kerk op die dag.

De lava van de middelste vulkaan, de Llano del Banco,  was uiterst vloeibaar van samenstelling. De vloeibare lavastroom stroomde van de bergrug helemaal tot aan beneden, de zee in. Een zwarte kale steenmassa, badlands, loopt nog steeds dwars door het landschap op die plek.

Midden in die steenmassa is het museum gebouwd. Het museum  heeft een kleine expositieruimte met informatie over vulkanismen op La Palma, maar vooral dus over de vuurtunnels. In de vloeibare lavastroom zijn tunnels ontstaan doordat het lava aan de oppervlakte eerder afkoelde en stolde dan de warmere onderstroom. In het museum wordt precies uitgelegd hoe dit zo kon gebeuren. Leuker dan de expositieruimte vond ik de korte rondleiding die je vanuit het museum kunt krijgen naar het binnenste van zo’n tunnel.

Het allerleukste vond ik echter dat ik de Spaanstalige gids zonder problemen kon verstaan. Hoewel Spaans spreken nog steeds niet echt lekker gaat, is mijn passieve woordenschat behoorlijk gegroeid, terwijl ik er eigenlijk helemaal geen tijd in steek. Wonderlijk hoe zoiets werkt in je hoofd. De gids sprak wel langzaam en goed gearticuleerd, moet ik erbij zeggen. De meeste Palmero’s doen dat niet.

 

Het écht-allerleukste aan het museum vond ik uiteindelijk de wandelroute die ‘buiten’ is uitgezet. Een superlange loopbrug leidt je vanaf het museum, over de lavastroom, een flink stuk naar beneden. De loopbrug leidt naar de ingang van een tweede tunnel. Deze tunnel is veel langer dan de tunnel onder het museumgebouw. Je kunt er gegidste rondleidingen reserveren. Gaat Ruud vast nog eens doen. Ik ga dan wel met hem mee.

Wat ik mooi vond: de kleurcontrasten buiten. Het was een grijze dag. We liepen door een min of meer zwarte lavawereld. Maar aan de randen van het lavaveld spatte het groen mijn ooghoeken in. En bij nader inzien bleek dat de zwarte steenmassa ook vol van kleurschakeringen was. Die kleuren, ondanks de sombere dag, dat vond ik het mooiste aan het museum.

 

Het museum is gratis toegankelijk. De gidsen zijn super klantvriendelijk en spreken ook Engels. Als het een keertje regent of minder goed weer is, is het een prima plek om een paar vakantie-uurtjes door te brengen, denk ik.

Na onze lava-ervaring keerden we op dringend verzoek van Ruud terug naar Puerto Naos. Ruud wilde graag weer eens ouderwets ‘vet’ eten.  (Echt, dat verzoek kwam van Ruud, niet van mij…). In Puerto Naos bezochten we ‘de Hollander’, een soort van snackbar-plus, gedreven door landgenoten aan de boulevard van het kustplaatsje. Op het terras verloren we ons zelf in een overheerlijk patatje oorlog met fricandel speciaal (Teunis) of Kroket (Ruud).  Met uitzicht op een blauwe oceaan en palmbomen op de voorgrond.

 

 

Zo beleefden we weer een vet-leuke middag op een grijze grauwe zondag, ergens aan de westkust van ons kleine eilandje, midden in de onmetelijk weidse wateren van de Atlantische Oceaan. 🙂

Torenvalk

Dit is hem, mijn vriend de torenvalk van Pinto. Voor het eerst in close-up. Het beestje is absoluut niet schuw. De finca is zijn jachtterrein. De muurtjes rondom ons huis en de denneboom achter ons huis maken deel uit van zijn verzameling van vaste rust- en uitkijkpunten. De valk laat zich benaderen, zolang er geen hond in de buurt is. Hij  heeft Sanne natuurlijk bezig gezien, destijds, met de kat en de kip. Ik kan hem geen ongelijk geven. Ik denk dat hij een ‘man’ is. Als ik het goed heb uitgegoogled, hebben Torenvalk-mannen een gele buik. Je moet de foto eigenlijk even ‘groot’ bekijken om te zien hoe mooi het beestje is.

 

Vanochtend kwamen we elkaar tegen toen ik door de achterdeur naar buiten liep. Gisterenmiddag zat hij zelfs enkele minuten in de vensterbank van het keukenraam op de patio, naar binnen te kijken. Volgens ons was hij zelf ook erg verbaasd over hoe hij daar terecht was gekomen. Ik weet het nog niet honderd procent zeker, om eerlijk te zijn. Maar ik denk dat het steeds om dezelfde vogel gaat. Ik vind het harstikke gaaf.

Het is trouwens torenvalkenparingstijd op het moment. De beesten vechten met elkaar in de lucht. Maken wilde capriolen tussen de bomen. En copuleren volgens onze Duitse achterbuurvrouwen in de dennenboom die voor hún huis staat. Ze maken bij dit alles veel geluid. We horen voortdurend Torenvalkgekrijs in en boven onze boomgaard.

 

In diezelfde boomgaard vordert de bouw van het Eerste Kleine Huis nu gestaag.

 

De foto’s hieronder zijn gemaakt aan het eind van de vorige week. We zijn nu al weer een stukje verder. Ik had vanmiddag foto’s zullen maken, maar het regende totdat het donker werd. Recentere plaatjes volgen dus nog.

Hieronder zie je de keuken-zitkamer-in-wording van het vakantiehuis. Boven het keukengedeelte. Onder het zitgedeelte.

 

Het (vanwege bouwvoorschriften verplichte) verbindingshalletje tussen de drie vertrekken van het huisje.

 

De slaapkamer.

 

De badkamer. Ziet er inmiddels al veel mooier uit..

 

Het huisje heeft ook nog een ‘trastero’,  een washok. Buitenom bereikbaar. Maar hiervan heb ik geen foto’s gemaakt.

Het is het plan van Óscar om volgende week de deuren en ramen te laten plaatsen. Plannen zijn er op La Palma natuurlijk om naar uit te kunnen kijken. We moeten nog even afwachten wat er van komt. Daarna wil hij beginnen met het schilderwerk van de muren aan de binnenzijde, terwijl rondom het huisje het terras wordt aangelegd en de voorbereidingen worden getroffen voor het zwembad. Dat zwembad gaan we definitief bij dit huisje laten aanleggen. Het wordt een kleine ‘infinity-pool’, op de rand van het terras waarop het huisje gebouwd is, aan de voorzijde van het huis, met uitzicht over sinaasappelbomen en over de oceaan. Gaat het vast goed doen op foto’s.

 

Met uitzondering van het zwembad moet alles eind maart klaar zijn. Vanaf dat moment kunnen Ruud en ik beginnen aan de inrichting. Het duurt even, maar dan krijgen we ook wat… Vorige week was het precies twee jaar geleden dat we naar La Palma kwamen 🙂 .

Grasmaand

Februari, Grasmaand! Althans, hier op La Palma wel. We hebben een periode van mooi voorjaarsweer achter de rug. (Maar morgen gaat het regenen, zegt men, en wordt het niet warmer dan 16 graden). Ruud maakte van de gelegenheid gebruik om voor de tweede keer in vier weken tijd de hele finca te maaien. Drie dagen werk! We zullen weten dat we grond hebben, tegenwoordig. En dat geldt dan vooral Ruud, onze afdeling ‘Finca & Flora’…

 

Van dichtbij ziet dat er zó uit: Het astronautenpak is ter bescherming tegen opvliegende steentjes.

 

En dít is het resultaat van al het werk:

 

Tussendoor maakte Ruud ook het houten hek rondom het Grote Huis af. Alle horizontale palen op maat zagen en in de verticale palen passen. Vervolgens de verticale palen in de muren vast zetten met dunne specie. Met Jorge als meester-mengadviseur. Het hek ziet er nu zó uit. Bijna klaar. Alleen het ‘poortje’ bij de voordeur moet nog in elkaar worden gezet en gemonteerd. Helaas was deze week het hout ‘op’ in Los Llanos. Volgende week wordt de container met nieuw hout weer verwacht. Na het poortje volgt nog een hek op de muren van het middelste terras en het laagste terras aan de straatkant. Dan moet de afdeling ‘Finca & Flora’ nog sinaasappels plukken, alles bemesten, dood hout uit de bomen snoeien, bloemetjes uit de jonge avocadoplanten plukken en dreigende enge beestjes in de bomen op tijd ontdekken en bestrijden. Én de bouw ‘regelen’. Én meehelpen op ons administratiekantoor. Er is genoeg te doen voor Ruud, bijna geen bijhouden aan. Soms heb ik een beetje met hem te doen. Maar hij heeft er schik in, meestal.

 

De landjes rondom onze boomgaard kleuren op het ogenblik spetterend naar geel. Op de foto hieronder kan je er een glimp van zien. Een soort koolzaadachtig kruid schiet omhoog en neemt overal het landschap over.

 

Zó zag eerder deze week onze hondenuitlaatroute er uit. We lopen door een weilandje waar het kruid tot borsthoogte opgeschoten is. Ik vind het geweldig. De honden ook. Inmiddels maakt het geel voorzichtig plaats voor andere kleuren. Het ‘koolzaad’ komt kennelijk als eerste, daarna volgen de andere bloemen.

Op de foto zie je trouwens dat het Calima was halverwege de afgelopen week. Lekker warm. Maar ook erg heiïg van het stof dat vanuit Afrika onze eilandje op waait.

 

Daar krijg je dít soort taferelen van. Onder andere van onze eerste Calima BBQ in dit jaar. Je kunt tijdens zo’n Calima ook heel fijn buiten in het donker brownies eten met koffie en amaretto erbij.

 

Eergisteren waaide de Calima weg. We zagen het bijna letterlijk gebeuren. De lucht werd met een flinke bries uit het noordoosten ‘schoon’ geblazen. Bijzonder om te zien. Boven het eiland was de lucht na een half uurtje fris, boven zee bleef de waas van de Calima luchtlaag hangen.

 

Resteert nu alleen nog het laagje stof op onze meubels in huis. Morgen is het weekend. Dan komt eindelijk dat laagje aan de beurt. Eerder lukte niet… Soms is het wel vreemd om op dit prachtige eilandje te wonen, maar tegelijkertijd meer werk te hebben dan ooit in Nederland het geval was. Op afstand werken kan. Beeldbellen is door de covid gewoon geworden. Geen klant die nog moeilijk doet over het feit dat ‘de boekhouder’ op La Palma woont. Lang leve het internet! Vooralsnog zijn we er erg blij mee.

Van Puntagorda naar Las Tricias en Terug

Twee zondagen geleden, op 31 januari, nog voordat hier de sneeuw viel in de bergen, maakten Ruud en ik een wandeling van Puntagorda naar Las Tricias (en weer terug). Het is (was) Amandelbloesemtijd en die bloesems zijn op zijn best te bewonderen op de berghellingen  in en rond Las Tricias. Het was prachtig weer. We maakten een geweldige lentewandeling van zo’n dertien kilometer lang.

 

We startten onze tocht direct vanuit ons huis. Pure luxe! We wandelden vanaf de Camino de Pinto  de Pista del Canal op in noordelijke richting, tot aan de kruising met de Camino Matos. Langs die weg klommen we een klein stukje omhoog, richting het dorp, tot we na ongeveer 200 meter (direct na de bocht) links af, via een klein zandgraspad, (Geel-Witte Wandelroutemarkering) de ‘berg’ opklommen richting de Mercadillo van Puntagorda. Het pad voerde ons langs een aantal bebouwde bospercelen en daarna langs de rand van de Barranco de Izcagua, totdat we bij de Mercadillo uit kwamen. Ruud en ik noemen dit gebied de ‘Duitse Bocht’, je loopt er door een immigrantenwijk met Duits als voertaal.

 

Bij de Mercadillo vervolgden we onze weg in de richting van de drie miradores-met-glazen-vloer die op de parkeerplaats van de Mercadillo zijn aangelegd en uitkijken over de barranco. Ruud wilde al heel lang de wandeling door de Barranco de Izcagua maken, maar het kwam er maar steeds niet van. Een beetje mijn schuld, vrees ik. Vandaag kwam het er wel van.

Hieronder zie je door het glas van één van de drie uitzichtpunten de kern van onze wandeling van vandaag. Op de heuvel rechts van de barranco ligt Las Tricias. Je ziet het pad dat vanuit dit dorpje naar beneden, naar de boden van de kloof leidt. Links zie je een breder pad dat vanuit de kloof weer naar boven voert, naar het buitengebied beneden Puntagorda.

 

Voorbij de drie glazen uitzichtpunten vonden we aan onze linkerhand een bospad met groenwitte wandelmarkering, dat ons langs de rand van de Barranco de Izcagua verder richting Las Tricias moest brengen. Het pad voert eerst langs en later door de bovenloop van de barranco. Ik ontdekte een nieuwe prachtige plek op het eiland, vlakbij huis nog wel. De bodem van de barranco heeft veel weg van een regenwoud. Weelderig groen. Prachtige bloemen. Hoge rotswanden links en rechts. Jij loopt er tussen door in een smalle kloof, waar de zon bijna niet komt. Adembenemend om mee te maken, zo mooi.

 

Voorbij de barranco liepen we over een smal pad langzaam maar zeker het dorpje Las Tricias in.

 

Voorbij elke nieuwe bocht zagen we meer Amandelbloesems in de bomen, terwijl we het dorpje inliepen. Tussendoor liepen we langs de meest prachtige bloeiende planten en bloemen. Daar krijg je een soort van Keukenhof-gevoel van. En dat op 31 januari. Het is best leuk hier op het eiland 🙂

 

In Las Tricias maakten we een tussenstop op het kerkpleintje. Aan het kerkpleintje ligt het restaurant Camu Camu waar je binnen of op het terras  van een fijne (vegetarische) lunch of iets uitgebreiders kunt genieten. Wij aten beiden een broodje schapenkaastomaat en dronken huisgemaakte limonada en een kop koffie.  Daarna konden we er weer tegenaan.

 

Vanaf het kerkplein daalden we via kruipdoorsluipdoorpaden af in de richting van de ‘Buracas’, de grotwoningen die in elke toeristische gids over La Palma worden beschreven. Ruud kent er de weg vanwege zijn (vóór-corona)gidswerk, dat hielp. Maar je kunt voor je route ook gewoon de houten  borden van de ‘buracas-bewegwijzering’ volgen.

Vanuit het dorp hadden we een mooi uitzicht op hellingen vol bloeiende amandelbomen.

 

De route door het dorp voerde ons naar een lang steil-dalend keienpad met links en rechts drakenbomen en kleine (‘hippie’) huisjes, half in de rotsbodem. Het pad voert je als het ware over het dak van sommige van deze huisjes heen.

Vanaf halverwege dit pad kan je ‘onze’ Matosberg (in Puntagorda) zien blaken in het zonlicht. De Matos is voor mij  altijd een mooi ankerpunt, als we in het noordwesten wandelen. Als ik de Matos zie, weet ik dat al het moois waar ik langs heen loop heel dichtbij huis ligt. Dat is een fijn gevoel.

 

Ter hoogte van het ‘hippie-restaurant’ Finca Aloe verlieten we het pad naar de grotwoningen. We sloegen linksaf richting de asfaltweg, die je op dit punt kunt zien liggen. Een zandpad maakt de verbinding. Over de asfaltweg klommen we vervolgens naar boven, zuidwaarts in bochten, tot dat we aankwamen bij de gofio-molen (met museumpje) van Las Tricias. Het museumpje sloegen we over.

 

Voorbij de gofio-molen begon de terugtocht naar Puntagorda, door de benedenloop van de Barranco de Izcagua. Het was voor ons even zoeken naar dit vervolg van de route. Over het terrein van de molen daalden we af naar dezelfde asfaltweg van zo-even. We liepen nog een klein stukje over de weg  totdat we net boven het bushokje een klein geitenpaadje vonden dat de barranco in voerde.

Na ongeveer twintig meter het pad op te hebben gelopen (naar beneden), wisten we dat we goed zaten. Er wordt hier niets aangegeven, maar gelukkig had Ruud zijn wandelapp bij zich.

We liepen in de afdaling een prachtige wereld binnen die ons een beetje deed denken aan onze ervaringen, ooit in Arizona, aan de afdalingen in de Grand Canyon over de South Kaibab Trail. Uit onze mond is dat een compliment aan de ‘route-manager’ want onze beide Grand Canyon Hikes behoren wel tot de hoogtepunten in onze leventjes. Smal, steil dalend pad door een prachtige natuur, dat was het gevoel. We zagen hier wat meer bloeiende bloemen dan in Arizona. Maar goed, dat kan ook niet anders. Dit pad ligt op het Isla Bonita.

 

We liepen zigzaggend over de haarspeldbochten van het  geitenpad steil naar beneden de Barranco in, zonder te kunnen zien hoe het vervolg van onze weg er precies uit zou zien. Voor ons uit doemde de imponerende rotswand aan de overzijde van de barranco steeds vervaarlijker voor ons op. Rode steen. Grand Canyon 🙂 Leuk!

Uiteindelijk kregen we de bodem van de barranco in het zicht. Het pad bracht ons naar de droge beekbedding op het laagste punt. Door de beekbedding liepen we naar de plek waar het irrigatiewater vanuit het noorden richting het zuiden  in buizen de kloof overbrugt. Hoog tegen de rotswand zagen we enkele klimsporters op een hele andere manier een  leuke zondagmiddag beleven. Fascinerend om naar te kijken, maar ik doe het ze voor geen goud na. Voor geen miljoen!

 

We kwamen uit bij een pozo, een waterput die niet meer in gebruik is. Daar zagen we de onderdelen al vast klaar liggen voor de nieuwe kabelbaan die men vanaf de Mercadillo over de kloof heen wil aanleggen naar de overzijde bij  Las Tricias. Ooit. Is het plan. Ruud en ik hopen dat het er niet van gaat komen.

 

Vanaf de waterput klommen we over een betonnen weg de baranco weer uit, naar de zijde van ons eigen dorp, Puntagorda. Ruim vijf uur nadat we onze wandeling begonnen, keerden we zo terug op onze vertrouwde ‘Pista del Canal’. Over de pista liepen we terug naar het beginpunt van de tocht bij de voordeur van ons huis. Moe maar voldaan.

Zo beleefden we weer een geweldige wandelzondag op de noordwestpunt van ons ienie-minie-kleine eilandje, midden in de onmetelijke wijdsheid van de Atlantische Oceaan 🙂 . De wandeling komt met stip binnen in mijn persoonlijke top tien van La Palma hikes.

 

Als je deze wandeling zelf ook zou willen doen, moet je je echt vooraf goed oriënteren op de verschillende wandelpaden. De route vormt geen onderdeel van het routenetwerk van het eiland en je kunt dus niet terugvallen op de bewegwijzering die normaal op het eiland overal aanwezig is.

Als startpunt raad ik de kruising aan tussen de Camino Matos en de Pista del Canal in Puntagorda. Van hieruit klim je naar boven naar de Mercadillo van Puntagorda. Op deze manier voorkom je dat je op het einde van de wandeling een hele lange klim vanaf de bodem van de Barranco de Izcuagua naar de marktplaats moet maken; je parkeert je auto halverwege deze klim.

De wandeling is op zijn mooist in de tweede helft van januari, als de amandelbloesems zich laten zien. De afdaling vanaf de gofio-molen is gevaarlijk als het regent of als het onlangs geregend heeft,  of als het hard waait. Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom deze wandeling geen deel uitmaakt van het standaard routenetwerk op het eiland. Onder deze omstandigheden: Niet doen!

Download file: Van Puntagorda naar Las Tricias en terug.gpx

Vorstverlet

In Nederland maakt iedereen zich klaar voor een weekje winter, maar ook hier in Puntagorda was het berekoud vandaag. Kijk maar op het weerplaatje van ons eigen blog. Een minimumtemperatuur van 6 graden en een maximumtemperatuur van 10 graden. Brrrr. ‘Historisch Koud’, noemden de kranten het hier. Wij hebben het zo nog nooit meegemaakt. Terwijl wij in het verleden toch best vaak in januari of begin februari een ‘Weekje La Palma’ deden.

 

Op het dak van het eiland ligt een dik pak sneeuw. Maar dat is niet echt vreemd. Het is daar meer dan 2.400m boven zeeniveau. Komt vaker voor.

 

Maar ook de Pico Birgoyo was wit vandaag, en dat komt toch niet zo heel vaak voor.

 

Ook de andere vulkaantoppen waren min of meer wit vandaag. Deze foto’s komen uit de internetkrantjes ‘El Time’ en ‘El Apuron’.

 

De druivenvelden boven Puntagorda, die al aanmerkelijk lager liggen, op zo’n 1.100 meter hoogte, pakten vandaag eveneens een winters laagje mee. Zoiets gebeurt echt nooit.

 

En zelfs op onze finca, 550 meter boven zeeniveau, stapelde de sneeuw zich op.

 

Jorge en Angel hadden het vanochtend niet meer van de kou. Rond 11u gaven ze het op en besloten ze met vorstverlet te gaan. We begrepen het wel. De mannen wisten echt niet meer hoe ze het warm moesten krijgen en liepen te blauwbekken onder deze voor hen extreme omstandigheden. Regen. Hagel. Harde koude wind. Een gevoelstemperatuur, vertaald naar Nederlandse bouwvakkers, van min 15. En geen warme erwtensoep om de kou uit je lichaam te krijgen. Dan heb je als Palmero bouwvakker recht op vorstverlet.

 

Het Eerste Kleine Huis begint overigens al aardig vorm te krijgen. Binnen zijn de muren allemaal afgestreken. Het plafond boven de douche en het verbindingshalletje is klaar. De ramen en deuren zijn gereed gemaakt voor het plaatsen van de kozijnen. De betonvloeren zijn gelegd en glad gestreken. De betegeling van de keuken is aangebracht.

Hieronder zie je de keuken en een deel van de zithoek.

 

De slaapkamer.

 

De badruimte.

 

Gisteren is Jorge begonnen met het leggen van de vloertegels. Vandaag zijn er precies twee rijtjes bij gekomen tov deze foto’s.

 

Het wordt wel wat, alles bij elkaar, vinden Ruud en ik. De bouwplaats begint nu een echt huisje te worden. Langzaam maar zeker zien we een kleinere kopie ontstaan van ons Grote Huis. Zoals het bedoeld was.

 

Het is leuk om te bedenken dat mensen die nu nog grote onbekenden voor ons zijn, in de toekomst hier hun vakantie gaan vieren. We gaan ons best doen om er iets moois van te maken 🙂 . Maar eerst: sneeuwschuiven!

Zwaluwen

Ik schreef er al eerder over in dit blog; Ruud en ik hebben eind vorig jaar een nieuwe naam voor het Grote Huis en tegelijkertijd voor onze finca bedacht. ‘Finca de Pinto’, naamgever van  dit blog,  dateert nog uit onze Nederlandse tijd, toen de sinaasappelboomgaard langs de Camino de Pinto in Puntagorda nog een hoog abstractiegehalte voor ons had en we nog geen idee hadden van hoe wij ons fruitbomenlandje met uitzicht over de oceaan in het echt zouden gaan beleven. Daarbij komt dat onze bovenbuurvrouw op haar terrein drie vakantiehuisjes verhuurt onder de naam ‘Casa’s Pinto’. Wij vonden het niet kies om haar naamtechnisch in de wielen te rijden. Wisten we toen ook allemaal nog niet. Een nieuwe naam dus.

 

We kozen voor de zwaluw. Zwaluwen trekken van noord naar zuid, en weer terug, net zoals wij dat (weer) doen (zodra de corona voorbij is). Toepasselijk dus. Bij het woord zwaluw denk je aan het voorjaar en aan de zomer. Dat is bijna altijd  het weertype op onze finca. En het is een fijne associatie voor onze toekomstige gasten. Als ze Spaans spreken, tenminste. Maar bovenal: vanaf het voorjaar tot in de late zomer vliegen ze rond boven ons terrein, de zwaluwen. Ze komen vanaf hun nesten aan de rotskust onder de heuvel van de Matos aanvliegen, door de baranco die naast ons huis ligt naar boven, op insectenjacht in de lucht boven de veldjes rond onze finca en boven  de terassen van de finca zelf. Ze komen op windstille zomernamiddagen en -avonden met  vele tientallen tegelijk. Een machtig gezicht.  Ik heb het spectakel nog nooit op de foto gezet, omdat het zo moeilijk is om de snelle vogels in het beeld te vangen. En ze zijn er ook niet elke dag. Maar indrukwekkend is het, als ze er zijn. En vredig. En mooi. Een nieuwe naam dus voor onze finca. Onze finca heet vanaf nu: Finca ‘Las Andoriñas’.  Finca ‘De Zwaluwen’,  in het Nederlands.

Op dertig december, nog net in het oude jaar, plakte Ruud de naamtegeltjes aan de muur van het Grote Huis, terwijl ik met mijn timmermansogen en fototoestel toekeek en aanwijzingen gaf.

 

De zwaluwen die bij ons rondvliegen heten eigenlijk in het Spaans Vencejos. Het zijn gierzwaluwen. Maar dat mag de pret niet drukken. In Spanje heeft elke zwaluwsoort een eigen naam. En ‘Andoriña’ is de gemeenschappelijke verzamelnaam voor al die namen. Tenminste: Op de Canarische Eilanden is dat de verzamelnaam. De verzamelnaam op het vaste land van Spanje voor alle zwaluwsoorten is ‘Golondrina’. Behalve in het noordwesten aan de grens met Portugal: daar is het verzamelwoord  ‘Anduriña’, met een U dus. Ook mooie namen. We hebben een tijd lang overwogen om onze finca ‘Las Golondrinas’ te noemen. Maar wij wonen niet op het vaste land. We wonen op La Palma. Finca ‘Las Andoriñas’ is het daarom geworden.

 

Zoals iedereen weet, maakt één zwaluw nog geen zomer. Het is een lastige tijd om een project als het onze van de grond te krijgen en, vooral, af te krijgen. Het Coronavirus gooit veel overhoop, ook hier op La Palma. Maar vandaag ontvingen we na lang wachten eindelijk een goed bericht. Ons kavel staat nu in álle registers die ertoe doen op de juiste wijze beschreven. Dat wordt bevestigd door onderstaande drie akten. Daarin staat dat ook volgens het ‘Registro’, het tweede kadaster dat hier in gebruik is, ons kavel 10.495 m2 groot is. Net zoals dit in het ‘Cadastro’, het eerste kadaster, al beschreven stond.

 

Met deze juridische vaststelling op schrift kunnen we eindelijk de aanvraag afronden voor de hypotheek die we nodig hebben om de beide andere huizen af te kunnen bouwen. Mét een electriciteitsaansluiting. Mét Fibra optica. En mét een zwembad (of iets dergelijks). Drie zwaluwen maken wat ons betreft wél een zomer. Van de Caixabank weten we al dat de aanvraag gehonoreerd zal worden. We zijn daarom erg blij met deze aktes. Overigens: Op La Palma weet je als domme Nederlander nooit echt waar je aan toe bent, dus Ruud en ik gaan pas definitief blij zijn als de hypotheekakte is ondertekend bij de notaris in Los Llanos. Daar gaat nog wel een maand of twee overheen, denken wij.  Ik schreef in het vorige bericht al: veel zo niet alles gaat hier  ‘poco á poco’, beetje bij beetje, stap voor stap. Maar we hebben weer een stapje gezet. Het heeft acht maanden geduurd voordat dit kleine juridische opstakeltje voor onze hypotheek uit de weg kon worden geruimd.

En dan hadden we nog De Prijsvraag openstaan. Dít waren de letters met als vraag: hoe luidt de nieuwe naam voor onze finca? Stiekem hadden we ook ons huisnummer (14d) aan de letters toegevoegd. Het moest niet te gemakkelijk zijn allemaal.

 

Want. Dít was de hoofdprijs die we in het vooruitzicht stelden aan de winnaars van de prijsvraag. Onder de correcte inzendingen zouden we een fles overheerlijke Vega Norte Blanco (de lekkerste wijn van de hele wereld) verloten. Gratis af te halen bij ons thuis. Niet dit exemplaar natuurlijk. Die is al lang op. We kopen voor de winnaar een nieuwe fles.

 

Dít hieronder was de goede oplossing.

 

Uiteindelijk kwamen er drie goede inzendingen bij ons binnen. De juiste naam voor onze finca werd geraden door, op volgorde van binnenkomst:

  • Mevrouw van Oostenbrugge uit Nederland (niet helemaal toevallig mijn moeder, maar ze was écht de eerste met de goede inzending.)
  • Jeroen en Anita uit Nederland
  • Jan en Herma uit Nederland

Inmiddels hebben Ruud en ik de verloting afgerond. We hebben hiervoor maar geen onpartijdige notaris ingeschakeld, want die zijn hier op La Palma nog veel duurder dan in Nederland, weten we inmiddels. Geloof ons dus op onze blauwe ogen dat de verloting van de fles wijn eerlijk is verlopen. En de winnaars van de fles overheerlijke Vega Norte Blanco zijn: (tromgeroffel)… Jeroen en Anita!

Jeroen en Anita: gefeliciteerd! Als jullie te zijnertijd weer op La Palma zijn, moeten we een afspraak maken voor de officiële prijsuitreiking… Misschien op jullie landje?

Ook voor huis2 en en huis3 hebben Ruud en ik al namen bedacht. Maar die verklappen we pas als ze in de verhuur gaan. Dat gaat nog even duren.

Het Tuinhek van Tanausú

Al sinds we bijna twee jaar geleden naar La Palma kwamen, houden Ruud en ik ons bezig met de vraag  hoe we onze finca gaan omheinen aan de straatzijde (Camino de Pinto). De hoge groene gaashekken, die op het eiland gebruikelijk zijn, vonden we maar niks. Alsof je jezelf opsluit in een soort van openluchtgevangenis. Maar er moest wel iets komen, om ‘vrije inloop en uitloop’ tegen te gaan. En om te voorkomen dat onze honden op verkenningstocht gaan of tol gaan heffen bij passanten langs de weg. ‘Een aaitje of ik bijt je, echt hoor…’.

We besloten uiteindelijk dat we een houten hek wilden maken. Zo ongeveer zoals op het plaatje hieronder, uit ons Grote-Sketchup-Model-Van-Hoe-De-Finca-Worden-Moet uit mei 2020. Het ziet er leuk uit in sketchup. Maar hoe máák je zo’n hek in godsnaam?

 

We deden inspiratie op van houten hekwerken die we zo her en der tegen kwamen. Hieronder zie je model ‘Briestas’, een houten hek langs een bospad-met-een-steile-helling dat we tegenkomen als we onze ‘boswandeling naar Briestas’ doen. Eenvoudig. Goedkoop hout. Balken aan elkaar bevestigd met metalen beugels. Metalen voetstukken voor de staanders met een pin in de grond. De metalen bevestigingsbeugels zijn gevoelig voor breuken (zagen we langs het pad) en ons hekwerk zou bovenop een al bestaand stenen muurtje moeten worden aangelegd. Model ‘Briestas’ werd daarom afgekeurd. Maar wat dán?

 

Tijdens één van onze moutainbiketochten kwamen we langs de grote weg boven Santo Domingo het grote (groteske?) monument voor  Tanausú tegen. Tanausú was de laatste koning van de  oorspronkelijke bewoners van La Palma, uit de tijd van de verovering van het eiland door de Spanjaarden (ca 1480-1490). Het monument is een fraai voorbeeld van ‘Fake History’. Tanausú wordt er gepresenteerd als een held van de Palméro’s. Terwijl hij toch echt als gevangene door de Spanjaarden werd weggevoerd,  per schip naar het vaste land. Met zijn gevangenname schonden de Spanjaarden het vredesverdrag dat met zijn volk was gesloten. De man was op weg vanuit de voor de Spanjaarden onneembare Caldeira de Taburiente, op uitnodiging van die zelfde Spanjaarden, om het verdrag formeel te maken. Op oneervolle wijze verslagen middels een verradelijke list. Zo doe je dat, als je iets wil veroveren, dat je niet krijgen kan. Zo vergaat het je, als je te goed van vertrouwen bent, of wanhopig. Onderweg naar Spanje stierf de laatste koning, volgens de historici aan de gevolgen van het weigeren van voedsel. Een treurig verhaal over winnaars en verliezers.

Maar daarover gaat het allemaal niet. Dit stukje gaat over een hek voor onze finca. We deden inspiratie op bij het monument. Model ‘Tanausú’. We zagen een prachtig houten hek, boven óp een muurtje geplaatst. Mooi afgewerkt, met horizontale liggers bevestigd in ingeboorde gaten in de houten staanders.  We vonden het prachtig, allemaal. Maar veel te moeilijk om te maken. Hoe boor je bijvoorbeeld die ronde gaten in de houten palen? Model ‘Tanausú’ werd afgekeurd wegens ‘te moeilijk’.

 

Dan was er de kerststal van afgelopen december in Los Llanos. De stal stond prachtig weggestopt in een enorm grote maquette van een Palmees landschap. En. Rondom de maquette stond een houten hek om graaiende handjes op afstand te houden. Vierkante staanders. Ronde liggers, toch ook hier weer ingeboord in de staanders. Een gehalveerde grote ronde balk als ‘bovenligger’.  Ook mooi. Ook moeilijk. Model ‘Kerststal Los Llanos’. Dit dan maar doen?

 

Wikken en wegen voor Ruud. Wat doen we? Teunis kan wel heel veel willen (kort samengevat: ‘Tanausú of de gladiolen’), maar Ruud moet het uiteindelijk maken. Teunis is niet zo’n maker. Behalve dan in Sketchup. Hoe boor je die gaten in het hout? Hoe bevestig je de staanders in de oude muurtjes langs de straat (waar al voorgeboorde gaten in aanwezig zijn) en in de nieuwe muurtjes van Óscar (waarin die gaten ‘vergeten’ zijn op de dag dat Óscar zijn werknemers ontsloeg)? Waar haal je het hout vandaan en hoeveel gaat zoiets kosten? Waar haal je het benodigde gereedschap weg? Wikken en wegen voor Ruud. Hieronder zie je hem nadenken. In de zon, dat dan weer wel.

 

Zoals het zo vaak gaat met Ruud als hij iets voor elkaar moet krijgen dat hij nog nooit eerder heeft hoeven doen. Veel uitdenktijd. Maar dan komt het er ook van. De bestaande gaten in de oude muurtjes rondom het Grote Huis werden uitgeboord.

 

In de nieuwe muurtjes werden nieuwe gaten voor de staande palen uitgeboord.

 

De houten palen werden gevonden én gekocht in Los Llanos. Ruud dacht uit hoe hij de gaten voor de liggers zou kunnen uitboren in het hout én maakte het voor elkaar. Ik vind het knap.

 

En zo stond er vorige week opeens het begin van een houten hek rondom ons Grote Huis.

 

Gisterenochtend werden de lange houten liggers gebracht vanuit Los Llanos met het vrachtwagentje van Óscar. Die palen waren te lang om in onze eigen Caddy te vervoeren. Gisteren aan het einde van de middag stond er dan een echt houten hek rondom ons Grote Huis.

 

Het hek is nog niet helemaal rondom af, maar we zien dat het project gaat lukken en we vinden dat het mooi gaat worden. Uiteindelijk heeft alles toch het meest weg van het ‘Model Tanausú’. De beste man moest eens weten hoe zijn naam in dit stukje bezoedeld wordt en wordt gekoppeld aan een tuinhek.

Vannacht regende het weer flink en ook de komende dagen wordt er regen verwacht in Puntagorda. Het hout zet hierdoor uit. Het zal dus nog even duren (ergens eind volgende week?) voordat Ruud ook het ontbrekende stuk langs de weg kan afmaken. Maar het wordt mooi. En zo komt onze finca weer een stukje meer ‘af’. Daarna is het onze bedoeling om ook de overige muren langs de lagere terassen van een zelfde houten hek te voorzien.

Poco á poco, zeggen ze hier op het eiland. Beetje bij beetje. (En dat zeggen ze heel vaak…)  Maar zo doen wij het inmiddels ook.

Vulkaantjes Hoppen

Afgelopen zondag maakten Ruud en ik een wandeling over het lavaveld van Tacande, een uitloper van de veel grotere Llano del Jable in het centrum van het eiland. We wandelden in de schaduw van de Pico Birigoyo (meest linkse vulkaantop op de foto hieronder), mijn favoriete bergtop op het eiland.

 

De Pico Birigoyo is een vulkaan die zo’n zes duizend jaar geleden tot uitbarsting kwam. Een hete as- en gruisregen vormde aan de voet van de berg een uitgestrekt zwart landschap, de Llano del Jable, dat nog altijd zwart gekleurd ligt te bakken in de felle zon, slechts hier en daar onderbroken door groepjes groene dennenbomen. Een prachtig landschap om vanaf uitzichtpunten te bekijken vanuit je auto. Maar beter nog: een prachtig landschap om doorheen te wandelen of (Michel) doorheen te mountainbiken, als het niet te heet is. Op deze zondag in januari wándelden wij. We maakten een tocht van zo’n tien kilometer. Onze bestemming: twee kleine kegeltjes van vulkanen die veel later dan de Birigoyo-uitbarsting met hun koppen door de Birigoyo-afzetting heen brandden.

 

Het startpunt van onze wandeling lag langs de LP-301. Vanaf de tunnel door de Cumbre Nueva (LP3 van Santa Cruz naar Los Llanos) is dit een zijweg die je brengt naar El Pilar. Ter hoogte van kilometerpaal 4, vanaf de tunnel, vind je een kleine parkeerplaats in het zwarte zand, aan de rechterkant van de weg. Van hieruit loop je de vlakte op. Verdwalen kan je er niet. Wegwijzers langs de paden die door de vlakte voeren, wijzen je om de paar honderd meter de weg naar alle bestemmingen die er zijn.

Onze eerste bestemming was de kraterrand van de Montaña Quemada, ook wel bekend als de Vólcan Tacande. Dit vulkaantje kwam rond 1480 tot uitbarsting, vlak voordat de Spanjaarden begonnen aan hun verovering van  La Palma op de oorspronkelijke bewoners. Een grote, supersnelle lavastroom stroomde met een ruime bocht door het land de oceaan in. Ruud, die heel veel weet van vulkanen, maar daar niets over wil schrijven in dit blog, wist mij te vertellen dat de lavastroom wel tot zo’n 100 kilometer per uur moet hebben gestroomd. Het moet een enorme ramp zijn geweest voor de Benahoares, de voor-Spaanse bevolking van het eiland.

 

Een smal, steil, maar goed begaanbaar keienpad leidt je aan de voet van de vulkaan door kleine dennenbosjes en langs een dichter dennenbos naar de kraterrand toe. Je kunt van hieruit via een nog smaller pad naar de top klauteren. Maar waarom zou je dat willen? De top van de Quemada is begroeid met bomen. Je ziet dus niets, geen uitzicht. Wel een mooie, beetje mystieke wandeling naar de kraterrand. Het valt me in dit gebied altijd weer op: je loopt onder de rook van de stadjes El Paso en Los Llanos, en toch kom je geen mens tegen en hoor je alleen het suizen van de wind en het ruisen van de dennenbomen.

 

Aan het eind van het wandelpad heb je een goed uitzicht op de nog altijd kale gestolde lavastroom en het landschap daarachter. Je ziet de Pico Bejenado in volle glorie voor je liggen en aan de voet daarvan de groene weilandjes van Llano de las Cuevas. Als je geluk hebt komt de wind uit het noordoosten en stroomt de beroemde wolkenwaterval over de kam van de Cumbre Nueva. Dat geluk hadden we vandaag niet. Het uitzichtpunt is een prachtige plek als je wilt zien hoe het vulkanische landschap van dit deel van het eiland laag over laag en uitbarsting na uitbarsting vorm heeft gekregen.

 

Na een korte lunchpauze keerden we over hetzelfde pad terug naar de zwarte zandvlakte. Langs de rand van de vlakte liepen we vervolgens, gestuurd door de bewegwijzeringsbordjes, over bospaden richting onze tweede bestemming van vandaag: de Montaña de Enrique. De afwisseling van bos en zwart zand in combinatie met blauwe lucht en stralende zon maakte ons tot blije lente-wandelaars. We zijn mentaal nog steeds een beetje aan het bijkomen van de afgelopen koude en sombere regenweken.

 

Op de grens van de zandvlakte en het dennenbos kwamen we ‘bloedmos’ tegen. Kleine rode mosplantjes die de grond rood doen kleuren. Ik weet niet wat de echte naam van het ‘bloedmos’ is, de naam is van mij zelf. Wel heb ik gelezen en ook op foto’s gezien dat dit plantje heel soms de hele zwarte Llano del Jable voor een paar dagen rood kleurt. Waarschijnlijk als het echt heel veel geregend heeft, want we kwamen het plantje nu  uitsluitend op vochtige plekken tegen. Ik hoop het ooit nog eens mee te maken om een volledig rood gekleurde mosvlakte te kunnen zien.

 

De Montaña de Enrique is een vulkaan die van veel oudere datum is dan de Quemada. De berg is volledig bebost. De kraterrand is goed toegankelijk en je kunt een rondje rondom de krater lopen. Tot onze verrassing zagen we door de bomen heen een prachtig groen grasland met stenen muurtjes op de bodem van de vulkaan liggen. Daarover stond niets beschreven in de boekjes. We moesten er dus naar toe, op ontdekkingstocht.

 

Na onze ronde over de kraterrand te hebben volbracht vonden we een pad naar beneden. Aanvankelijk een gewoon bospad. Later (geen foto’s) kruipdoor sluipdoor langs struikgewas en bosheide.

 

Uiteindelijk kwamen we al zoekend en dwalend aan op de bodem van de krater en stuitten we op onderstaande bemoste muur. Aan de overkant van de muur begon het grasland.

 

Een groot contrast met het zwarte zand en het dennenbos waardoor we hadden gewandeld. Een klein paradijsje, zo groen en zo beschut en zo verborgen voor de wereld door de kraterrand. We troffen een verlaten boeren landschap aan. Compleet met terrassen met tamme kastanjebomen, (inmiddels afgestorven) amandelbomen en kleine ommuurde voormalige akkerlandjes. Nergens een spoor van een vervallen huis of gebouw. Ruud en ik hebben er misschien wel een uur rond gelopen. Op zoek naar de restanten van een boerderij (die we niet vonden) en het geheime landje in al zijn pracht opzuigend met onze ogen. Wat een mooie, geborgen plek hadden we gevonden.

 

Later weer thuisgekomen, moest er natuurlijk een bureaustudie worden uitgevoerd. Ruud vond onderstaande kleurenfoto’s uit 2019 en onderstaande zwartwitfoto’s uit 1951. De muurtjes staan er al heel lang. Maar ook in 1951 zag de krater er al verlaten uit. We zijn best nieuwsgierig geworden naar wie ooit heeft geprobeerd om in de krater een boerderij te stichten, op de boden van de vulkaan. Ene Enrique misschien? En hoe lang is het geleden dat al die muurtjes zijn gestapeld? Hoe lang is het geleden dat de kraterwereld weer werd verlaten?

 

Teruglopend door het bos en de zwarte zandvlakte kwamen we ruim drie-en-een-half uur na onze start weer terug bij onze witte caddy. In de schaduw van de grote vulkaantoppen ligt een landschap waarin je uren kunt ronddwalen, ontdekten we. Gaan we vast nog vaker doen.

 

Zo beleefden we weer een fijne zondagwandelmiddag, dit keer  op het zwarte zand in het centrum van ons piepkleine eilandje midden in de onmetelijk grote Atlantische Oceaan. 🙂

 

Download file: vulkaantjes hoppen.gpx