Oorlog met Uitjes

Twee zondagen geleden alweer, ik kan dat snelle, veelzijdige  leven van ons eenvoudigweg niet bijbenen in dit blog, twee zondagen geleden was het koud en somber in Puntagorda. Toch wilden we het huis uit, wilden we wat ondernemen op onze vrije dag. Zoals we vaker doen, als het weer in ons dorp niet al te best is, besloten we om met de auto zuidwaarts langs de westkust te rijden. Zonder een plan.

We kwamen via tussenstops in Tazacorte Puerto en Puerto Naos uit bij het nieuwe, kleine museum van de Caños del Fuego, het museum van de vuurtunnels. Google Translate vertaalt deze naam overigens als ‘het museum van de brandblusleidingen’. Ook een leuk thema voor een museum.

 

In 1949 zijn er midden op de Cumbre  Vieja, de zuidelijke vulkaanrug van het eiland,  in korte tijd drie vulkaanuitbarstingen geweest. Achtereenvolgens kwam er een lavastroom op gang uit de Volcan Durazno, de Llano del Banco en de Hoyo Negro.  De uitbarstingen begonnen in dat jaar op 23 juni en  worden daarom samen aangeduid als de San Juan uitbarsting, genoemd naar de dagheilige-van-dienst binnen de RK-kerk op die dag.

De lava van de middelste vulkaan, de Llano del Banco,  was uiterst vloeibaar van samenstelling. De vloeibare lavastroom stroomde van de bergrug helemaal tot aan beneden, de zee in. Een zwarte kale steenmassa, badlands, loopt nog steeds dwars door het landschap op die plek.

Midden in die steenmassa is het museum gebouwd. Het museum  heeft een kleine expositieruimte met informatie over vulkanismen op La Palma, maar vooral dus over de vuurtunnels. In de vloeibare lavastroom zijn tunnels ontstaan doordat het lava aan de oppervlakte eerder afkoelde en stolde dan de warmere onderstroom. In het museum wordt precies uitgelegd hoe dit zo kon gebeuren. Leuker dan de expositieruimte vond ik de korte rondleiding die je vanuit het museum kunt krijgen naar het binnenste van zo’n tunnel.

Het allerleukste vond ik echter dat ik de Spaanstalige gids zonder problemen kon verstaan. Hoewel Spaans spreken nog steeds niet echt lekker gaat, is mijn passieve woordenschat behoorlijk gegroeid, terwijl ik er eigenlijk helemaal geen tijd in steek. Wonderlijk hoe zoiets werkt in je hoofd. De gids sprak wel langzaam en goed gearticuleerd, moet ik erbij zeggen. De meeste Palmero’s doen dat niet.

 

Het écht-allerleukste aan het museum vond ik uiteindelijk de wandelroute die ‘buiten’ is uitgezet. Een superlange loopbrug leidt je vanaf het museum, over de lavastroom, een flink stuk naar beneden. De loopbrug leidt naar de ingang van een tweede tunnel. Deze tunnel is veel langer dan de tunnel onder het museumgebouw. Je kunt er gegidste rondleidingen reserveren. Gaat Ruud vast nog eens doen. Ik ga dan wel met hem mee.

Wat ik mooi vond: de kleurcontrasten buiten. Het was een grijze dag. We liepen door een min of meer zwarte lavawereld. Maar aan de randen van het lavaveld spatte het groen mijn ooghoeken in. En bij nader inzien bleek dat de zwarte steenmassa ook vol van kleurschakeringen was. Die kleuren, ondanks de sombere dag, dat vond ik het mooiste aan het museum.

 

Het museum is gratis toegankelijk. De gidsen zijn super klantvriendelijk en spreken ook Engels. Als het een keertje regent of minder goed weer is, is het een prima plek om een paar vakantie-uurtjes door te brengen, denk ik.

Na onze lava-ervaring keerden we op dringend verzoek van Ruud terug naar Puerto Naos. Ruud wilde graag weer eens ouderwets ‘vet’ eten.  (Echt, dat verzoek kwam van Ruud, niet van mij…). In Puerto Naos bezochten we ‘de Hollander’, een soort van snackbar-plus, gedreven door landgenoten aan de boulevard van het kustplaatsje. Op het terras verloren we ons zelf in een overheerlijk patatje oorlog met fricandel speciaal (Teunis) of Kroket (Ruud).  Met uitzicht op een blauwe oceaan en palmbomen op de voorgrond.

 

 

Zo beleefden we weer een vet-leuke middag op een grijze grauwe zondag, ergens aan de westkust van ons kleine eilandje, midden in de onmetelijk weidse wateren van de Atlantische Oceaan. 🙂

Vulkaantjes Hoppen

Afgelopen zondag maakten Ruud en ik een wandeling over het lavaveld van Tacande, een uitloper van de veel grotere Llano del Jable in het centrum van het eiland. We wandelden in de schaduw van de Pico Birigoyo (meest linkse vulkaantop op de foto hieronder), mijn favoriete bergtop op het eiland.

 

De Pico Birigoyo is een vulkaan die zo’n zes duizend jaar geleden tot uitbarsting kwam. Een hete as- en gruisregen vormde aan de voet van de berg een uitgestrekt zwart landschap, de Llano del Jable, dat nog altijd zwart gekleurd ligt te bakken in de felle zon, slechts hier en daar onderbroken door groepjes groene dennenbomen. Een prachtig landschap om vanaf uitzichtpunten te bekijken vanuit je auto. Maar beter nog: een prachtig landschap om doorheen te wandelen of (Michel) doorheen te mountainbiken, als het niet te heet is. Op deze zondag in januari wándelden wij. We maakten een tocht van zo’n tien kilometer. Onze bestemming: twee kleine kegeltjes van vulkanen die veel later dan de Birigoyo-uitbarsting met hun koppen door de Birigoyo-afzetting heen brandden.

 

Het startpunt van onze wandeling lag langs de LP-301. Vanaf de tunnel door de Cumbre Nueva (LP3 van Santa Cruz naar Los Llanos) is dit een zijweg die je brengt naar El Pilar. Ter hoogte van kilometerpaal 4, vanaf de tunnel, vind je een kleine parkeerplaats in het zwarte zand, aan de rechterkant van de weg. Van hieruit loop je de vlakte op. Verdwalen kan je er niet. Wegwijzers langs de paden die door de vlakte voeren, wijzen je om de paar honderd meter de weg naar alle bestemmingen die er zijn.

Onze eerste bestemming was de kraterrand van de Montaña Quemada, ook wel bekend als de Vólcan Tacande. Dit vulkaantje kwam rond 1480 tot uitbarsting, vlak voordat de Spanjaarden begonnen aan hun verovering van  La Palma op de oorspronkelijke bewoners. Een grote, supersnelle lavastroom stroomde met een ruime bocht door het land de oceaan in. Ruud, die heel veel weet van vulkanen, maar daar niets over wil schrijven in dit blog, wist mij te vertellen dat de lavastroom wel tot zo’n 100 kilometer per uur moet hebben gestroomd. Het moet een enorme ramp zijn geweest voor de Benahoares, de voor-Spaanse bevolking van het eiland.

 

Een smal, steil, maar goed begaanbaar keienpad leidt je aan de voet van de vulkaan door kleine dennenbosjes en langs een dichter dennenbos naar de kraterrand toe. Je kunt van hieruit via een nog smaller pad naar de top klauteren. Maar waarom zou je dat willen? De top van de Quemada is begroeid met bomen. Je ziet dus niets, geen uitzicht. Wel een mooie, beetje mystieke wandeling naar de kraterrand. Het valt me in dit gebied altijd weer op: je loopt onder de rook van de stadjes El Paso en Los Llanos, en toch kom je geen mens tegen en hoor je alleen het suizen van de wind en het ruisen van de dennenbomen.

 

Aan het eind van het wandelpad heb je een goed uitzicht op de nog altijd kale gestolde lavastroom en het landschap daarachter. Je ziet de Pico Bejenado in volle glorie voor je liggen en aan de voet daarvan de groene weilandjes van Llano de las Cuevas. Als je geluk hebt komt de wind uit het noordoosten en stroomt de beroemde wolkenwaterval over de kam van de Cumbre Nueva. Dat geluk hadden we vandaag niet. Het uitzichtpunt is een prachtige plek als je wilt zien hoe het vulkanische landschap van dit deel van het eiland laag over laag en uitbarsting na uitbarsting vorm heeft gekregen.

 

Na een korte lunchpauze keerden we over hetzelfde pad terug naar de zwarte zandvlakte. Langs de rand van de vlakte liepen we vervolgens, gestuurd door de bewegwijzeringsbordjes, over bospaden richting onze tweede bestemming van vandaag: de Montaña de Enrique. De afwisseling van bos en zwart zand in combinatie met blauwe lucht en stralende zon maakte ons tot blije lente-wandelaars. We zijn mentaal nog steeds een beetje aan het bijkomen van de afgelopen koude en sombere regenweken.

 

Op de grens van de zandvlakte en het dennenbos kwamen we ‘bloedmos’ tegen. Kleine rode mosplantjes die de grond rood doen kleuren. Ik weet niet wat de echte naam van het ‘bloedmos’ is, de naam is van mij zelf. Wel heb ik gelezen en ook op foto’s gezien dat dit plantje heel soms de hele zwarte Llano del Jable voor een paar dagen rood kleurt. Waarschijnlijk als het echt heel veel geregend heeft, want we kwamen het plantje nu  uitsluitend op vochtige plekken tegen. Ik hoop het ooit nog eens mee te maken om een volledig rood gekleurde mosvlakte te kunnen zien.

 

De Montaña de Enrique is een vulkaan die van veel oudere datum is dan de Quemada. De berg is volledig bebost. De kraterrand is goed toegankelijk en je kunt een rondje rondom de krater lopen. Tot onze verrassing zagen we door de bomen heen een prachtig groen grasland met stenen muurtjes op de bodem van de vulkaan liggen. Daarover stond niets beschreven in de boekjes. We moesten er dus naar toe, op ontdekkingstocht.

 

Na onze ronde over de kraterrand te hebben volbracht vonden we een pad naar beneden. Aanvankelijk een gewoon bospad. Later (geen foto’s) kruipdoor sluipdoor langs struikgewas en bosheide.

 

Uiteindelijk kwamen we al zoekend en dwalend aan op de bodem van de krater en stuitten we op onderstaande bemoste muur. Aan de overkant van de muur begon het grasland.

 

Een groot contrast met het zwarte zand en het dennenbos waardoor we hadden gewandeld. Een klein paradijsje, zo groen en zo beschut en zo verborgen voor de wereld door de kraterrand. We troffen een verlaten boeren landschap aan. Compleet met terrassen met tamme kastanjebomen, (inmiddels afgestorven) amandelbomen en kleine ommuurde voormalige akkerlandjes. Nergens een spoor van een vervallen huis of gebouw. Ruud en ik hebben er misschien wel een uur rond gelopen. Op zoek naar de restanten van een boerderij (die we niet vonden) en het geheime landje in al zijn pracht opzuigend met onze ogen. Wat een mooie, geborgen plek hadden we gevonden.

 

Later weer thuisgekomen, moest er natuurlijk een bureaustudie worden uitgevoerd. Ruud vond onderstaande kleurenfoto’s uit 2019 en onderstaande zwartwitfoto’s uit 1951. De muurtjes staan er al heel lang. Maar ook in 1951 zag de krater er al verlaten uit. We zijn best nieuwsgierig geworden naar wie ooit heeft geprobeerd om in de krater een boerderij te stichten, op de boden van de vulkaan. Ene Enrique misschien? En hoe lang is het geleden dat al die muurtjes zijn gestapeld? Hoe lang is het geleden dat de kraterwereld weer werd verlaten?

 

Teruglopend door het bos en de zwarte zandvlakte kwamen we ruim drie-en-een-half uur na onze start weer terug bij onze witte caddy. In de schaduw van de grote vulkaantoppen ligt een landschap waarin je uren kunt ronddwalen, ontdekten we. Gaan we vast nog vaker doen.

 

Zo beleefden we weer een fijne zondagwandelmiddag, dit keer  op het zwarte zand in het centrum van ons piepkleine eilandje midden in de onmetelijk grote Atlantische Oceaan. 🙂

 

Download file: vulkaantjes hoppen.gpx

Twee Stranden in het Noorden

In de laatste week van het voorbije jaar, op ‘derde kerstdag’,  bezochten Ruud en ik op één dag twee strandjes in het noorden van het eiland. We waren er nog nooit eerder geweest en dus nieuwsgierig naar wat we zouden gaan zien.

Voor de middag klommen we te voet zo’n drie honderd meter naar beneden naar het  Playa de El Calejoncito. Dit rotsstrand ligt op tien kilometer ten noorden van Puntagorda. Het was er prachtig zonnig weer. Terwijl het in ons dorp, op ruim vijf honderd meter boven zeeniveau en twintig minuten rijden naar het zuiden, maar koud en grijs was, hadden we het hier op zeeniveau  lekker warm,  met een temperatuur van boven de twintig graden.

 

Na de middag bezochten we nog iets verder naar het noorden het oude haventje van Santo Domingo. Het weer sloeg er  langzaam om. De lucht werd grijs. Het eerste begin van de regenperiode, die ruim twee weken zou duren.

 

Op de laatste foto van het blok hierboven zie je ‘onze vriendelijke Matos-heuvel’ vanaf zeeniveau vanuit het haventje van Santo Domingo. Vanaf dit lage gezichtspunt is de Matos een echte berg om te zien. Dat verrast mij iedere keer weer.

 

Thuis aangekomen aan het einde van de middag, was het zo koud geworden dat we voor de eerste keer onze twee nieuw gekochte noodkacheltjes beiden tegelijkertijd aan moesten doen. Gordijnen dicht. Kaarsjes aan. Alsof we in Nederland waren. Geen onverdeeld genoegen, natuurlijk. Wij houden meer van zwoele zomeravonden in de buitenlucht. Maar we hadden een mooie dag gehad, vlak voor de regens uit.

Met Onze Laatste Nasi Het Jaar Uit.

Langzaam glijden Ruud en ik vandaag het oude jaar uit. Als ik dit schrijf is het 20.00u. Nog vier uur te gaan in het jaar 2020. Het was een wat moeizaam jaar, al met al. Toch?

We begonnen onze oudejaarsavond met onze laatste Nasi uit Nederland. We hebben toch echt wel een boemboetje uit het vaderland nodig om echte nasi te kunnen maken. Onze voorraad is nu op. Onze lieve heer mag weten wanneer we de voorraad weer kunnen aanvullen. Maar de oudejaarsavondmaaltijd smaakte ons uitstekend. En. Buiten eten op 31 december…  Blijft bijzonder 🙂 .

 

Het is kerstvakantie. We hebben geen of weinig werk te doen voor de klanten uit het vaderland, deze week. Drie weken lang geen bouwvakkers op de finca. En ook Ruud doet het rustig aan in de boomgaard. Heerlijk ontspannen. Werd ook wel een beetje tijd, om eerlijk te zijn.

Onze vakantie begon zo’n beetje met de ‘Cosmische Kus’ van de planeten Jupiter en Saturnus. Voor het menselijk oog raakten de planeten elkaar aan de hemel in de vroege avond van 21 december. Zoiets gebeurt ongeveer 1x per acht honderd jaar. Geen wolken op La Palma. We konden de samenstand prima zien. Op de onderste foto een uitvergroting, door Ruud gemaakt,  van (ik geloof) twee dagen eerder.

 

 

We bezochten het haventje van Puntagorda op een dag dat er harde wind stond en de oceaan met hoge golfen op het stenen plateau bij de haven uiteen spatte. Blijft indrukwekkend om mee te maken.

 

We maakten korte wandelingen. Het was te bewolkt om de bergen in te trekken helaas. In dat geval blijf je zo laag mogelijk en wandel je langs de kust. Vooraf kijk je welke kant van het eiland het minst te maken heeft met bewolking. Er is bijna altijd wel een plek aan de kust van het eiland waar de zon toch nog schijnt..

 

Onverwacht bijzonder vond ik het landschap dat we aantroffen bij een wandeling naar het strand van La Veta, onder Tinizara, ongeveer vijf kilometer zuidelijk van Puntagorda. Op het strand waren we al wel eens geweest en dit strand vond ik eerlijk gezegd destijds niet zo bijzonder.

Dit keer wandelden we rond door het kliffenlandschap ter hoogte van het parkeerplaatsje op ongeveer 150 meter boven het strand.

 

De verticale lagen in de rotsmuren laten zien dat het ooit niet heel erg pluis is geweest op ons vulkanische  zomereilandje. De grond smolt destijds lettelijk onder je voeten weg.

 

Ik vond het er erg mooi. En het was er boven twintig graden op een relatief koude dag.

 

Op eerste kerstdag aten we ook al buiten. Kerstdiner via facetime met mijn moeder. Erg gezellig. Daarna een ondergaande zon, vrede op aarde en in de menschen een welbehagen.

 

De vakantieweek hebben we gebruikt om een stukje van de tuin te beplanten. Twee keer kwamen we met een volle auto terug vanuit het tuincentrum in San Pedro, aan de andere kant van het eiland. Van buurvrouw Annewies kregen we een lading stekjes van grondbedekkers cadeau.

 

De tuin tussen het Grote Huis en de Camino de Pinto ziet er nu zó uit. Het moet allemaal nog wat groeien. En ooit, ooit, ooit, zullen de twee geplante Chinese Wolmispels heel groot zijn, met hun kruinen in elkaar overgroeien en voor een schaduwtuin zorgen op het zuiden. Tot die tijd: bloeiende planten in de zon. Het ziet er nog kaal uit. Alle begin is moeilijk.

 

De regen van de afgelopen weken heeft zijn uitwerking op het landschap niet gemist. Het is prachtig overal. Zo groen! Dagelijks zie je nu meer bloemen en bloeiend kruid tussen het gras opkomen. Het is lente. Deze plaatjes schoot ik vanmorgen toen ik de honden uitliet in het terrein tussen onze boomgaard en de Matos.

 

Een zwerm dansende kraaien vloog over. Daar kan ik uren naar kijken.

 

Ook de boomgaard is groener dan groen. De sinaasappelbloesem staat nu echt op doorbreken. De bomen hangen vol met fruit. We hebben nog nooit zoveel sinaasappels gehad als dit jaar.

 

De smaaktest die Ruud en ik vanochtend deden bevestigde ons vermoeden. Het sap van de sinaasappels smaakt ook beter dan ooit. Het werk van Ruud in het afgelopen jaar proef je terug. Heerlijk zoet. Daarmee kunnen we voor de dag komen bij de fruithandel op het dorp. Helaas brengen sinaasappels bijna niks op.

 

Zo glijden we langzaam het oude jaar uit en maken we de sprong naar het nieuwe jaar. Laten we hopen dat de coronaplaag verdwijnt in de loop van het nieuwe jaar. En. in de loop van het jaar: Hele mooie vakantiehuisjes… Denken we. We gaan zien wat het nieuwe jaar brengt.

 

Voor alle lezers van dit blog: Feliz Año Nuevo! Gelukkig Nieuwjaar!

Jubileum in de Wolken

Ook op zondag was het nog steeds Feestweekend. Ruud en ik besloten om een kleine picknick te doen, op hoogte, vlakbij de Roque de los Muchachos. We kennen daar een plekje achter een hek waar je een mooi uitzicht hebt over de toppen van het eiland. Alle hoge toppen zie je vanaf de helling achter dat hek precies in elkaars verlengde liggen.

Het was bijzonder boven op de berg. We maakten er  ‘en direct’ een weeromslag mee. Vanuit het westen kwam van ver over de oceaan een regengebied onze kant op schuiven. Eerst zagen we het eiland Hierro steeds groter worden en verscheen naast Hierro het mysterieuze ‘achtste Canarische Eiland’, dat je vaker ziet in de wolken als het gaat regenen. Daarna verdween Hierro als het eiland Avalon, in de mist. Het zou pas in de late avond echt gaan regenen, overigens.  In de middag, vanaf onze hoge positie,  zagen we van alle kanten de wolkenflarden het eiland op klimmen. Van alle kanten wervelden de nevels om ons heen en werd binnen een uur tijd het heldere uitzicht dat we hadden op het zuiden van het eiland en op de Caldeira,  beetje bij beetje weg gegeten. Dit alles bij een straffe bries en een  aangename temperatuur van meer dan twintig graden.

 

Na de broodjes en een facetime-geprek met de jarige moeder van Ruud, reden  we met de auto naar de Roque de los Muchachos. Het kleine parkeerplaatsje  daar ligt op de absolute top van het eiland, op bijna 2.450 meter hoogte. Bij de Roque is een geweldig mooi uitzichtpunt aangelegd en dat panoramapunt hadden we deze middag bijna helemaal voor ons zelf. Fijn dat alle toeristen vanaf 21 juni weer naar het eiland mogen komen en fijn dat Transavia vanaf 2 juli weer op La Palma zegt te gaan vliegen. Maar stiekem, in ons geval,  is het ook best fijn dat iedereen er nu nog even níet is, terwijl wij al wél blij mogen zijn met onze herwonnen vrijheid na het Absolute Huisarrest van een paar weken geleden. Het eiland is van ons.

 

We bleven lang op het plateau van de Roque de los Muchachos hangen en keken er onze ogen uit naar het schouwspel van de wervelende wolken. Intussen kleurden de hogere luchtlagen van zomers blauw naar onheilspellend donkergrijs. Bang voor onweer waren we niet. Op La Palma onweert het bijna nooit. Maar het regent er ook bijna nooit in juni, dus misschien waren we toch wat te onvoorzichtig. Hoe dan ook: zo’n plotselinge weeromslag op de Roque de los Muchachos is mooi en bijzonder om mee te maken. We hadden het weer eens getroffen.

 

Zo vierden we ons jubileum in de dansende wolken. Op de dag af dertig jaar geleden spraken Ruud en ik elkaar voor het eerst op Utrecht CS. En dat gesprek is sindsdien eigenlijk nooit meer gestopt. Foto’s van toen liggen ergens in een album onderin verhuisdoos ‘woonkamer 4’, en die kan ik dus niet laten zien.

 

Maar de onderste twee foto’s van het fotoblok hierboven zijn de eerste digitale vakantiefoto’s uit ons archief. Cantal, Frankrijk,  zomer 2005, toen we halverwege 1990 en NU waren. Zeg nou zelf, we zijn nauwelijks ouder geworden toch? Altijd jong gebleven toch? Mmmm, was dát maar waar.  In elk geval hebben we in al die jaren veel mooie herinneringen verzameld, samen. En dat is de bedoeling als je elkaars leven deelt. Feestweekend dus, dit weekend., voor ons 2.  In de wolken.

 

We sloten het feestweekend op zondagavond af in de pizeria van La Fuente in Tijarafe. Geen pizza’s maar overheerlijke salade, een al net zo smakelijke groente-lasagna voor Ruud en een spaghetti bolognese voor mij. Fles Vega Norte blanco erbij. Een postre met veel room, vanilleijs en chocolade en een sterke koffie om mee af te sluiten. Dat doen we over dertig jaar nog eens zo over. En ook al wel een keer eerder, wat mij betreft.

Llano de las Cuevas

We hadden iets te vieren, dit weekend. Daarom hadden we als plan bedacht om op zaterdag iets te gaan doen wat we alle2 echt heel erg leuk vinden; we zouden naar de top van de Pico Birigoyo gaan wandelen, van waar je het hele eiland kunt overzien. Bij helder weer.

Zodra we in de auto bij El Time de bocht omdraaiden om af te dalen in de Barranco de las Angustias, zagen we dat het beter was om een nieuw plan te maken; de toppen van de Birigoyo en de andere zuidelijke vulkaankegels waren in donkere, grijze wolken gehuld. We besloten te gaan wandelen op de Llano de las Cuevas, de vlakte van De Wolk. Eigenlijk een wandeling die je in het voorjaar moet doen bij oosten- of noordoostenwind. In juni is het op deze vlakte geen voorjaar meer, maar heerst al de droogte van de zomer. En de wind kwam ook al niet uit het oosten. Toch bleek onze b-wandeling van de dag verrassend mooi en afwisselend te zijn.

Ons startpunt was de parkeerplaats van het Centro de Visitantes, het bezoekerscentrum, van het Nationale Park van de Caldeira de Taburiente, even ten oosten van El Paso, aan de LP3.  Van daaruit wandelden we het asfaltweggetje richting de Cumbrecita op, om al heel snel rechts af te slaan en het landschap-met-de-stenen-muurtjes van de Llano de las Cuevas in te wandelen.

 

We liepen tussen de stenen muurtjes door richting het oosten, richting de steile helling van de Cumbre Nueva. Hoe verder je dit landschap inloopt hoe mooier alles wordt. De lelijke prikkeldraadhekken en irrigatiebuizen die je aan het begin van je route nog tegenkomt en waar je dan omheen moet kijken om te zien hoe bijzonder het landschap is, verdwijnen en maken plaats voor steeds meer bloemen, authentieke stenen omheiningen en vergezichten naar de bergen in het noorden, het oosten en het zuiden.

 

Je loopt in het centrum van het eiland, even ten oosten van de vlakte van Los Llanos en El Paso, een van de drukste gebieden van het eiland. Je hoort alleen het gras waaien in de wind. In de verte krijst een buizerd. Er vliegen wat kraaien rond. Af en toe tref je een verdwaald groepje (magere) koeien of een koppel paarden. Verder is er helemaal niemand. Je hebt de vlakte voor jezelf.

 

We liepen over zandweggetjes steeds verder het groen-bruine landschap in tot dat we stuitten op een eerste asfaltweggetje. Dit weggetje staken we over om verder richting de voet van de Cumbre Nueva te lopen. Gelukkig maken de glazen van de nieuwe zonnebril van Ruud een mooie spiegel, zodat ik ook eens een keer in mijn eigen blog te zien ben..

 

Aan de voet van de Cumbre Nueva belandden we op kleine weggetjes die ons door kleine bosjes van kastanjebomen leidden. Kruipdoor, sluipdoor. Leuk. Voor ons een nieuw stukje van La Palma. Het is mooi hier. De kastanjebomen stonden in bloei.

 

Na een klein uurtje (geloof ik) kruisten we een tweede asfaltweg, de Calle Virgen del Pino. We besloten niet verder te klimmen en deze weg noordwaarts te volgen, op weg naar het kerkje dat gewijd is aan diezelfde Virgen del Pino.

 

Na de ommuurde weilandjes, de bloeiende kastanjebomen en de vergezichten over de vlakte, kwamen we aan in het dennenbos waar de Maagd van de Dennenbomen geëerd wordt. Men is lang bezig geweest om het kerkje te restaureren, maar het werk lijkt nu klaar te zijn. Het kerkje straalt de argeloze wandelaar weer tegemoet. Inmiddels waren alle wolken verdwenen. Vanaf het kerkpleintje zagen we hoe de top van de Pico Bejenado lag te baden in het licht van zon.

 

En ook de Pico Birigoyo was weer helemaal vrij van wolken. Achteraf was het niet nodig geweest om deze b-wandeling te doen. Maar dat was achteraf. Bovendien bleek de b-wandeling veel leuker dan gedacht. We nemen hem gewoon op in onze wandelgids.

 

Vanaf het kerkje liepen we over de asfaltweg weer terug naar ons beginpunt op de parkeerplaats van het bezoekercentrum. In totaal een wandelingetje van ik schat iets meer dan vijf kilometer waar we een kleine twee uur over deden.

 

 

Terug in het Boeddhahuis, aten we macaroni met witte wijn erbij in de avondzon. Daarna zagen we vanaf de terrassen van onze finca die zon op een prachtige manier ondergaan in de oceaan.

De eerste dag van ons ‘feestweekend’ was meer dan geslaagd.

 

Download file: Llano de las Cuevas.gpx

Tajinaste

Zaterdagmiddag. We zouden gaan wandelen vandaag. Maar het was te warm voor de lange wandeltocht die we in ons hoofd hadden en de zaterdagochtend was onverwacht op gegaan aan andere dingen. We besloten met de auto ‘naar boven’ te rijden, richting de observatoria en de Roque de Los Muchachos. We zouden gaan kijken naar de bloeiende Tajinastes.

Het is nog steeds Coronatijd op het eiland. We hadden de weg en de bergen voor ons zelf. Geen toerist te bekennen. Behalve wij dan. Het was fijn om hier weer te kunnen zijn.

 

De Tajinasteplant groeit alleen op La Palma en op Tenerife. Op Tenerife zijn de bloemen van de plant rood-rose. Op La Palma hebben de bloemen een paars-rose kleur. De plant groeit uitsluitend op een hoogte van rond de 2.100 meter. De Tajinaste bloeit van half mei tot half juni. Na de bloei sterft de plant af en blijft er een treurig ogende bruine pilaar over. Maar vandaag stonden de planten massaal in bloei! Eén en al vrolijkheid.

Vlak onder het nieuw gebouwde bezoekerscentrum bij de observatoria heeft men in 2010 twintig Tajinastes aangeplant. Nu, tien jaar later, is er een groot veld van meer dan 500 exemplaren ontstaan. Je zou zeggen: succes! De plant is uiterst zeldzaam, dus nog een paar van die uitzaaiplekken maken. Er is ruimte genoeg in de bergen. Maar kennelijk is er iets dat de beheerders van het nationale park er van weerhoudt om het experiment op andere plekken te herhalen. Wel jammer. Er is ruimte genoeg lijkt me en zoveel bloemen bij elkaar in bloei is echt prachtig om te zien.

Het bezoekerscentrum dat meer dan twintig miljoen euro heeft gekost en ons oorspronkelijke La-Palma-Puntagorda-Volkssterrenwachtplan danig in de war schopte, staat overigens na de oplevering,  anderhalf jaar geleden,  nog steeds leeg. Het dak schijnt te lekken en de betrokken partijen steggelen over de schuldvraag en de kosten. Ook moet men nog nadenken over wat men precies kan laten zien en doen in het museum. Zo’n zonde! Maar het komt vast goed allemaal, uiteindelijk. Als het zover is, laat ik het weten. Ruud en ik zullen vast en zeker één van de eerste bezoekers zijn.

 

Download file: Tajinaste.gpx

 

Natuurlijk wilden we na het bezoek aan het  Tajinaste-veld ook even rondkijken op het plateau van de Roque de Los Muchachos. Maar bij de toegangsweg stond er weer eens een Guardia Civil ons allen te beschermen tegen Het Virus. In volstrekte eenzaamheid, in de brandende zon. Wat een rotbaan vandaag. Vanaf komende maandag schuiven we op La Palma door van fase1 naar fase2 in het proces van de ‘De-escalación’, de normalisering. Als het goed is zijn de zotte afsluitingen van verlate plekken die ooit toeristische trekpleisters waren dan voorbij.

Maar er was nog genoeg anders moois te zien. We volgden met de auto de Caldeiraweg naar het oosten. Prachtige uitzichten en mooi bloeiende bloemen. In een volledig door mensen verlaten landschap. Helemaal, zoals we het graag hebben.

 

Op deze plek kan je altijd zo prachtig mooi langs twee kanten de diepte inkijken. Op de foto’s komt het maar half over. Ik vind het geweldig om hier naar de trage glijvluchten van de kraaien te kijken en te volgen hoe de zwarte vogels vanaf ‘jouw hoogte’ in een langzame spiraalbeweging soms wel meer dan een kilometer naar beneden cirkelen, of juist weer naar omhoog komen zweven.

 

Het eindpunt van onze auto-uitstap-fotomaken-instap-verdermetdeauto-rondkuierrit was het monument dat in de jaren tachtig werd opgericht ter ere van de officiële opening van het observatoria-park bij de Roque de Los Muchachos. We komen hier al sinds 2007 en in al die jaren zagen we het markante kunstwerk alleen van uit de verre verte in het landschap liggen. Oorspronkelijk was het de bedoeling van de maker dat het monument omringd zou zijn door een stuk of tien vlaggen van denkbeeldige buitenaardse werelden. Maar die vlaggenmasten zijn inmiddels gesneuveld. Niet praktisch gedacht ook, natuurlijk, die vlaggenmasten. Moet iemand dagelijks twee keer de berg op en afrijden om de vlaggen te hijsen en weer te strijken. Da’s niet te doen toch?

Als je alleen met z’n twee bent is het observatorium-monument een leuke plek om even bij rond te dwalen en van de stilte en het landschap te genieten. Ik vind het metalen object ook wel mooi op de plek waar het staat. Het is heel groot als je er vlakbij bent en tegelijkertijd is het kolossale kunstwerk toch maar een heel klein, nietig dingetje in het onmetelijke, kale landschap. Dat vind ik een mooie tegenstelling. Dat zoiets uiterst kunstmatigs tóch een eenheid vormt met de natuur. Maar zoiets is een kwestie van smaak, natuurlijk.

 

Vanaf het monument is het een klein uurtje rijden terug naar Puntagorda. Na een middag als vanmiddag weten we weer waarom we zo graag op dit eilandje willen wonen. Je vergeet het soms in de drukte van alledag. Tajinaste en zweefvliegende kraaien kijken. Met als toetje een bezoekje aan een vreemd metalen object in the middle of nowhere, waar je fijn kunt fantaseren over buitenaards leven en hoe dat er dan uit zou zien en of het wel of niet fijn zou zijn om met zo’n extraterrestiale beschaving in contact te komen. We hadden weer een leuke zaterdagmiddag.

 

Download file: Infinito.gpx

Fietsen in het Noordoosten

Je zou bijna vergeten dat het zomaar kon. Nog maar twee weken geleden. Gewoon op je fiets klimmen en een mooie fietstocht maken. Een fietstocht in de zon. Zorgeloos.

Michel was een paar dagen op bezoek en als Michel er is, gaan we op minstens één van die dagen fietsen. Ruud en ik hebben inmiddels onze eigen bikes. Michel huurde zijn fiets weer bij Tobi en Nina in Los Llanos. Met motortje. We hadden een soort van toertocht over het asfalt bedacht in het noordoosten van het eiland. Startpunt was het stille terras in the middle of nowhere van  Reyes in Roque del Faro. Over de LP1 daalden we af naar het dorp Barlovento. Vandaar klommen we weer omhoog over de LP109 terug richting het terras van Reyes. Een fietstocht van een kleine 40km lengte met een hoogteverschil (eerst machtig dalen, dan geleidelijk weer klimmen) van zo’n 800 meter.

 

De zon scheen. De lucht boven de oceaan was helder. We daalden af over het brede stuk van de noordelijke LP1 met langzame brede slingers, tussen de hoge dennenbomen door, bocht na bocht na bocht. Het ging hard. We stopten daarom met regelmaat om even goed om ons heen te kijken en de prachtige natuur in ons op te nemen.

 

In de buurt van Barlovento, na zo’n twintig kilometer schat ik, veranderde het landschap van groene canyons in een landschap van weidse vergezichten. We zagen diep onder ons de plaatsjes langs de oostkust liggen. We zagen in de verte de weg die we reeds hadden afgelegd. Ik kom niet vaak in deze hoek van het eiland. Maar ik vond het er geweldig mooi. Vaker doen dus. (Zodra het weer kan, na de coronatijd).

 

Als je deze tocht zelf ook zou willen fietsen moet je dat doen op een fiets met minimaal een goede verlichting. Onderweg passeerden we twee keer een tunnel van toch minstens drie á vier honderd meter lengte, zonder tunnelverlichting. Hoewel er weinig autoverkeer is op dit deel van het eiland, kan het toch levensgevaarlijk zijn om zelf zonder licht door deze tunnels te fietsen. Verlichting meenemen dus. Anders niet doen, deze tocht.

 

In Barlovento, halverwege onze toertocht, deden we een korte tussenstop op het terras bij de grote rotonde van het dorp. Bij hamburguesería ‘Bocata el Drago’ beheersten we ons en aten we geen hamburgers, hoewel ze wel erg lekker roken en er erg goed uitzagen. We dronken wat en zagen één voor één de mannen van de bananenplantages een biertje komen doen aan de bar, op het einde van hun werkdag.

Voorbij Barlovento begon de terugweg, en de klim. Met zo’n motortje doet de klim geen centje pijn. Zelfs zonder de fameuze ‘sportstand’ (echt waar) reden we op ons gemak langzaam omhoog, terug naar het westen,  over de LP109. De LP109 is de voormalige ‘oude’ LP1 op dit deel van het  eiland. De weg  kreeg dit nummer nadat de nieuwe veel bredere versie van de  LP1 werd aangelegd, waarover we op de heenweg afdaalden. De LP109 is een bochtige weg, kronkel na kronkel en overal smaller dan smalst. Weinig verkeer. Op een aantal plaatsen kunnen elkaar tegemoetkomende auto’s elkaar niet zonder manoevreren passeren. Gehuld in het groen van laurierbomen, boomheide, massieve canarische dennen en weelderig struikgewas. Af en toe breekt het groen en heb je een geweldig uitzicht op het noorden (en de nieuwe LP1). Een ideale weg voor een fietstocht op een warme dag.

 

Ongeveer vier uur na onze start zagen we het terras van Reyes weer terug. De koude Dorada smaakte heerlijk. Fijn dat Michel er was. Als Michel er is, hebben Ruud en ik vakantie. En zo voelde het vandaag.

 

Terwijl ik de foto’s voor dit blog verzamelde, kreeg ik een beetje een soort van  heimwee-gevoel. Zo kort geleden nog, deze foto’s. Het kan wel maanden duren voordat Ruud en ik weer zo’n fietstocht mogen maken. Die Corona is hopeloos. Ook als je niet ziek bent, hoewel ik een beetje op mijn woorden moet letten en gevoel voor verhoudingen moet blijven houden. Ondanks dat Ruud en ik relatief veel bewegingsruimte krijgen, voelen de beperkingen van de noodmaatregelen voor mij als een soort van gevangenis. Een gouden kooi.  We moeten het maar ondergaan. Hopen dat het uiteindelijk weer voorbij gaat, allemaal. En verder niet zeuren.

Fietsen op La Palma met een elektrische fiets. En dan fietsen in het noordoosten. Erg leuk om te doen, als je het eiland bezoekt en wat van de natuur wil zien, zonder dat het glas van het autoraampje in de weg zit.

Download file: Fietsen in het Noordoosten.gpx

Playa Los Guirres

Ruud was jarig. Vorige week vrijdag al. Meestal  vieren we elkaars verjaardagen met voor alle2 een vrije dag en een lange wandeling op de dag zelf. En na afloop ergens iets lekkers eten.  Dat deden we in Nederland al zo. En ook nu we op La Palma wonen, doen we dat op die manier. Maar. Nu we al meer dan een jaar op ons Gedroomde Eiland wonen,  wordt het leven soms weer een beetje zoals het vroeger was: te druk voor leuke dingen. Ruud had zijn handen vol aan finca-stuff dat hij klaar moest zien te krijgen tussen de wandelgidsdagen en de stargazingavonden door. Dood hout uit citrusbomen snoeien. Een geautomatiseerd bewateringssysteem aanleggen. Dat soort werk. Ik had ook wel het één en ander om handen. Mijn werk bestaat kort gezegd hoofdzakelijk uit het tellen van geld. En dat kan op zoveel verschillende manieren dat je er nooit mee klaar bent. Kortom: geen lange wandeling op Ruud’s verjaardag, deze keer. We hadden er de tijd niet voor. En eigenlijk ook de puf  niet. Alletwee een 5 in onze leeftijd. Dan krijg je dat. Maar we hadden wél een vrije namiddag en avond.

 

We reden aan het einde van de middag vanuit Puntagorda naar het strandje van Los Guirres.  Het kiezelstrand ligt even ten noorden van Porto Naos, aan de westkust van het eiland. Je rijdt vanuit Porto Naos over een verwaarloosde asfaltweg door een niemandsland van bananenplantages. En opeens ben je er dan: je rijdt een goed verzorgde parkeerplaats op en dan ben je bij  Los Guirres. Een prettig welkomstbord geeft meteen al een gevoel van vrijheid, van ‘thuiskomen’, zal ik maar zeggen. ‘Dat moet anders!’,  is onze boodschap aan de plaatselijke ‘strandmanager’.

 

Los Guirres is geen viersterren toeristische trekpleister. Maar voor Ruud en mij wél een leuke plek. Er is een mooi kiezelstrand. Er is een leuke, vrij grote kiosko, met een mooi open terras pal aan de zee. Daar kan je best een middagje in de zon doorbrengen met één of meer glazen wijn op tafel. Of tegen het vallen van de avond lekker eten op een prachtige plek.

 

We waren voor het eerst hier. Ruud had in El Apuron, dat is een lokaal digitaal krantje, gelezen over een wandelpad dat pal langs de kust is aangelegd tussen de kiosko en het grote Sol-Hotel dat aan de andere kant van Porto Naos ligt. Dát wilde hij wel eens zien. Er ligt inderdaad een mooi, nieuw wandelpad. Alleen. Ter hoogte van de vuurtoren is het pad alweer weggeslagen door de golven van de oceaan. Even klauteren. Of even omlopen over kleine asfaltweggetjes tussen de bananenplantages die samen een doolhof van jewelste vormen als je geen wandelapp op je mobiele telefoon bij je hebt.

 

Wij vinden het altijd wel leuk om een beetje rond te struinen. Weinig mensen. Rust. Oceaan. Wel strak naar het westen blijven kijken. Want dan sta je met je rug naar één van de lelijkste stukken van het eiland. Bananenplantages zijn één ding. Maar verlaten Banananplantages zijn ongeveer wel de allerlelijkste objecten die er op La Palma te zien zijn.

 

Wij negeerden de lelijkheid van het landschap achter ons. We negeerden ook het terras van de kiosko. Komt een andere keer wel. Wij keken uit over de oceaan. En zagen de zon weer eens onder gaan.

 

Op de terugweg naar Puntagorda maakten we in El Jesus een tussenstop bij ‘De Belg’. Lekker gegeten. Na afloop zo’n overheerlijke barrequito. Een verjaardag kan heel leuk zijn zonder spectaculaire dingen te doen.

Op Zondag naar de Teneguia

Eind vorige week vond Ruud dat het hoognodig tijd was dat ik weer eens een hele dag buiten zou zijn. Voor mijn NL-werk maak ik op doordeweekse dagen best lange dagen achter een laptop met twee schermen in één van de donkerste hoeken van het Boeddhahuis. Omdat op die plek de grote monitor kan blijven staan, als ik klaar ben met het werk. Als je dan de hele dag in zo’n schaduwhoek stil zit te zitten bij een buitentemperatuur van vijftien, zestien graden, zonder kachel in huis, kan je zomaar spontaan in een soort van winterdepressietje schieten. Erop uit dus. De zon in. Ik wilde graag een buitendag met zon en warmte. We besloten daarom op zondagmiddag te gaan wandelen op de uiterste zuidpunt van het eiland, in het warme, droge landschap rondom de Teneguía-vulkaan.

 

De Volcán Teneguía is de meest zuidelijke vulkaan van La Palma en ook de vulkaan die het meest recent van allemaal nog actief was. De laatste uitbarsting vond plaats in 1971. Het eiland werd door de lavastroom van toen een stukje groter. Je kunt de top van de Teneguía beklimmen. Als je dat doet heb je aan het einde van de klim een prachtig uitzicht over de zuidpunt van het eiland, de drie andere dichtbij gelegen  eilanden van de Canarische archipel en de droge wereld rondom de vulkaan waarop je staat en de nabije en veel hogere top van de San Antonio Vulkaan.

Ik had vooraf al verteld aan Ruud dat ik deze keer geen zin had in de klauterpartij naar de top, want een klauterpartij is het, als je de top van de Teneguía wil meemaken. Ik wilde niet klimmen, maar gewoon lekker ronddwalen door het droge landschap van de beide zuidelijke vulkanen. Een landschap vol van ongenaakbare gekleurde rotsen,  dorre droge steenvlaktes en wijnvelden. Want dat is het gekke. Je loopt in dit gebied door een soort van woestijn. Tegelijkertijd loop je echter ook door de druivenvelden van de Teneguíawijn. De wijnranken van deze wijn groeien als een soort van bodembedekker kruipend over het warme zwarte lavazand. De combinatie van woestijn, droogte, vulkaantoppen en druiven zorgt voor een heel vreemd effect, dat me elke keer weer opnieuw betovert.

 

Vanuit het dorp Fuencaliente, het meest zuidelijke dorp op La Palma, reden we via de LP9 naar het gehucht Las Indias en vandaar uit, de LP verlatend in het verlengde van de tweede  haarspelbocht die deze weg maakt, naar het nog kleinere gehuchtje Los Quemados. Aan het einde van de weg, waar het asfalt over gaat in een zandpad, parkeerden we de auto en liepen we op goed geluk het landschap in. Het is handig om een wandelapp op een smartphone bij je te hebben, bijvoorbeeld MapOut. Je kunt dan beredeneerd ronddwalen over de vele wandelpaden en offroadweggetjes die de vlakte doorkruisen. Let erop dat je afstanden niet onderschat en dat je altijd voldoende water bij je hebt. Zeker in de zomer kan het op deze plek zinderend heet worden. Voldoende water is dan een must om geen ongelukken te maken.

 

Vandaag scheen de winterzon. De temperatuur bleef net iets boven de twintig graden steken, denk ik. Prachtig voorjaarsweer. Daar waren Ruud en ik ook wel aan toe. Het is soms een beetje afzien qua kou, of beter gebrek aan verwarming, in het Boeddhahuis. Met drie truien over elkaar aan komen we er dan wel weer doorheen, maar lekker rondwandelen op een t-shirtje ligt ons toch beter.

 

Nog nooit eerder was ik in januari in dit gebied. Het viel me op hoe groen het in de winter is op deze plek. Alles is relatief natuurlijk, maar ik zag veel groens groeien in het zwarte zand. Waaronder één van mijn lievelingsplanten. Zie de laatste foto hierboven. Ik kom er tot op heden niet achter hoe deze plant heet. Er is een variant die paars-blauwe bloemen heeft. De plant groeit op grotere hoogtes in een vochtiger klimaat uit als een grote struik. Die struiken, met de paars-blauwe bloemen, zou ik wel een plek willen geven op onze finca. Maar dat is voorlopig nog toekomstmuziek. En eerst maar eens uitzoeken of die plant wel past in het klimaat van Puntagorda. Je zou zeggen dat alles dat op de vlakte bij de Teneguía kan groeien overal kan groeien..

 

Zoals gezegd had ik voor vandaag een simpel wandelingetje in mijn hoofd, om daarna een fijn terrasje te kunnen pakken, pal aan de kust bij de vuurtoren van Fuencaliente. Een fijne gemakkelijke zondagmiddagwandeling. Maar zo gaat dat niet, als je samen met Ruud wandelt. Ruud zag een helling. En die helling voerde naar een top. En op zo’n top heb je uitzicht. Ruud wil altijd naar de top. Ruud wil altijd naar het uitzicht van bovenaf. Zoals altijd kreeg Ruud na enig heen en weer gepraat hierin  zijn zin. We namen de weg naar de top. Het was afzien.

 

Ik overdrijf niet. Kijk maar. Ongezond ambitieus toch, zo’n helling?

 

Maar goed. Met een half uur geploeter, zuchten & steunen, door het mulle lavazand op een onmogelijke helling naar omhoog, kwamen we uit op een prachtig plateautje, juist beneden het bezoekerscentrum van de San Antonio Vulkaan. Met enige tegenzin moest ik bekennen dat het uitzicht vanaf dit plateau de inspanning van de klim meer dan waard was. 360 graden uitzicht. Met in de verte de eilanden Tenerife, La Gomera en El Hierro. In één woord prachtig! (En niet goed op de foto vast te leggen).

 

Vanaf het plateau wandelden we min of meer vlak, maar dan toch weer wel vals plat omhoog,  naar de bebouwde kom van Fuencaliente. Het was mooi om eerst de toppen van de Vulcan St Martin  te zien verschijnen en daarna langzaam maar zeker het dorp Fuencaliente daaronder in beeld te krijgen.

 

Vanaf het bezoekerscentrum van de San Antonio liepen we over een asfaltweggetje steil naar beneden terug naar Los Quemados. Daar stond de auto op ons te wachten, bakkend in de zon.

Het terras bij de vuurtoren is er niet meer van gekomen. Wel maakten we op de terugweg naar Puntagorda een tussenstop in El Jesus. Zalm-met-Peren-en-Basmatirijst-met-Koriander bij de Belg is ook niet verkeerd. Zo beleefden we weer eens een geweldige zondagmiddag op ons eiland. Hoezo winterdepressie?

Download file: Op Zondag naar de Teneguia.gpx