Vulkaantjes Hoppen

Afgelopen zondag maakten Ruud en ik een wandeling over het lavaveld van Tacande, een uitloper van de veel grotere Llano del Jable in het centrum van het eiland. We wandelden in de schaduw van de Pico Birigoyo (meest linkse vulkaantop op de foto hieronder), mijn favoriete bergtop op het eiland.

 

De Pico Birigoyo is een vulkaan die zo’n zes duizend jaar geleden tot uitbarsting kwam. Een hete as- en gruisregen vormde aan de voet van de berg een uitgestrekt zwart landschap, de Llano del Jable, dat nog altijd zwart gekleurd ligt te bakken in de felle zon, slechts hier en daar onderbroken door groepjes groene dennenbomen. Een prachtig landschap om vanaf uitzichtpunten te bekijken vanuit je auto. Maar beter nog: een prachtig landschap om doorheen te wandelen of (Michel) doorheen te mountainbiken, als het niet te heet is. Op deze zondag in januari wándelden wij. We maakten een tocht van zo’n tien kilometer. Onze bestemming: twee kleine kegeltjes van vulkanen die veel later dan de Birigoyo-uitbarsting met hun koppen door de Birigoyo-afzetting heen brandden.

 

Het startpunt van onze wandeling lag langs de LP-301. Vanaf de tunnel door de Cumbre Nueva (LP3 van Santa Cruz naar Los Llanos) is dit een zijweg die je brengt naar El Pilar. Ter hoogte van kilometerpaal 4, vanaf de tunnel, vind je een kleine parkeerplaats in het zwarte zand, aan de rechterkant van de weg. Van hieruit loop je de vlakte op. Verdwalen kan je er niet. Wegwijzers langs de paden die door de vlakte voeren, wijzen je om de paar honderd meter de weg naar alle bestemmingen die er zijn.

Onze eerste bestemming was de kraterrand van de Montaña Quemada, ook wel bekend als de Vólcan Tacande. Dit vulkaantje kwam rond 1480 tot uitbarsting, vlak voordat de Spanjaarden begonnen aan hun verovering van  La Palma op de oorspronkelijke bewoners. Een grote, supersnelle lavastroom stroomde met een ruime bocht door het land de oceaan in. Ruud, die heel veel weet van vulkanen, maar daar niets over wil schrijven in dit blog, wist mij te vertellen dat de lavastroom wel tot zo’n 100 kilometer per uur moet hebben gestroomd. Het moet een enorme ramp zijn geweest voor de Benahoares, de voor-Spaanse bevolking van het eiland.

 

Een smal, steil, maar goed begaanbaar keienpad leidt je aan de voet van de vulkaan door kleine dennenbosjes en langs een dichter dennenbos naar de kraterrand toe. Je kunt van hieruit via een nog smaller pad naar de top klauteren. Maar waarom zou je dat willen? De top van de Quemada is begroeid met bomen. Je ziet dus niets, geen uitzicht. Wel een mooie, beetje mystieke wandeling naar de kraterrand. Het valt me in dit gebied altijd weer op: je loopt onder de rook van de stadjes El Paso en Los Llanos, en toch kom je geen mens tegen en hoor je alleen het suizen van de wind en het ruisen van de dennenbomen.

 

Aan het eind van het wandelpad heb je een goed uitzicht op de nog altijd kale gestolde lavastroom en het landschap daarachter. Je ziet de Pico Bejenado in volle glorie voor je liggen en aan de voet daarvan de groene weilandjes van Llano de las Cuevas. Als je geluk hebt komt de wind uit het noordoosten en stroomt de beroemde wolkenwaterval over de kam van de Cumbre Nueva. Dat geluk hadden we vandaag niet. Het uitzichtpunt is een prachtige plek als je wilt zien hoe het vulkanische landschap van dit deel van het eiland laag over laag en uitbarsting na uitbarsting vorm heeft gekregen.

 

Na een korte lunchpauze keerden we over hetzelfde pad terug naar de zwarte zandvlakte. Langs de rand van de vlakte liepen we vervolgens, gestuurd door de bewegwijzeringsbordjes, over bospaden richting onze tweede bestemming van vandaag: de Montaña de Enrique. De afwisseling van bos en zwart zand in combinatie met blauwe lucht en stralende zon maakte ons tot blije lente-wandelaars. We zijn mentaal nog steeds een beetje aan het bijkomen van de afgelopen koude en sombere regenweken.

 

Op de grens van de zandvlakte en het dennenbos kwamen we ‘bloedmos’ tegen. Kleine rode mosplantjes die de grond rood doen kleuren. Ik weet niet wat de echte naam van het ‘bloedmos’ is, de naam is van mij zelf. Wel heb ik gelezen en ook op foto’s gezien dat dit plantje heel soms de hele zwarte Llano del Jable voor een paar dagen rood kleurt. Waarschijnlijk als het echt heel veel geregend heeft, want we kwamen het plantje nu  uitsluitend op vochtige plekken tegen. Ik hoop het ooit nog eens mee te maken om een volledig rood gekleurde mosvlakte te kunnen zien.

 

De Montaña de Enrique is een vulkaan die van veel oudere datum is dan de Quemada. De berg is volledig bebost. De kraterrand is goed toegankelijk en je kunt een rondje rondom de krater lopen. Tot onze verrassing zagen we door de bomen heen een prachtig groen grasland met stenen muurtjes op de bodem van de vulkaan liggen. Daarover stond niets beschreven in de boekjes. We moesten er dus naar toe, op ontdekkingstocht.

 

Na onze ronde over de kraterrand te hebben volbracht vonden we een pad naar beneden. Aanvankelijk een gewoon bospad. Later (geen foto’s) kruipdoor sluipdoor langs struikgewas en bosheide.

 

Uiteindelijk kwamen we al zoekend en dwalend aan op de bodem van de krater en stuitten we op onderstaande bemoste muur. Aan de overkant van de muur begon het grasland.

 

Een groot contrast met het zwarte zand en het dennenbos waardoor we hadden gewandeld. Een klein paradijsje, zo groen en zo beschut en zo verborgen voor de wereld door de kraterrand. We troffen een verlaten boeren landschap aan. Compleet met terrassen met tamme kastanjebomen, (inmiddels afgestorven) amandelbomen en kleine ommuurde voormalige akkerlandjes. Nergens een spoor van een vervallen huis of gebouw. Ruud en ik hebben er misschien wel een uur rond gelopen. Op zoek naar de restanten van een boerderij (die we niet vonden) en het geheime landje in al zijn pracht opzuigend met onze ogen. Wat een mooie, geborgen plek hadden we gevonden.

 

Later weer thuisgekomen, moest er natuurlijk een bureaustudie worden uitgevoerd. Ruud vond onderstaande kleurenfoto’s uit 2019 en onderstaande zwartwitfoto’s uit 1951. De muurtjes staan er al heel lang. Maar ook in 1951 zag de krater er al verlaten uit. We zijn best nieuwsgierig geworden naar wie ooit heeft geprobeerd om in de krater een boerderij te stichten, op de boden van de vulkaan. Ene Enrique misschien? En hoe lang is het geleden dat al die muurtjes zijn gestapeld? Hoe lang is het geleden dat de kraterwereld weer werd verlaten?

 

Teruglopend door het bos en de zwarte zandvlakte kwamen we ruim drie-en-een-half uur na onze start weer terug bij onze witte caddy. In de schaduw van de grote vulkaantoppen ligt een landschap waarin je uren kunt ronddwalen, ontdekten we. Gaan we vast nog vaker doen.

 

Zo beleefden we weer een fijne zondagwandelmiddag, dit keer  op het zwarte zand in het centrum van ons piepkleine eilandje midden in de onmetelijk grote Atlantische Oceaan. 🙂

 

Download file: Vulkaantjes hoppen.gpx

Twee Stranden in het Noorden

In de laatste week van het voorbije jaar, op ‘derde kerstdag’,  bezochten Ruud en ik op één dag twee strandjes in het noorden van het eiland. We waren er nog nooit eerder geweest en dus nieuwsgierig naar wat we zouden gaan zien.

Voor de middag klommen we te voet zo’n drie honderd meter naar beneden naar het  Playa de El Calejoncito. Dit rotsstrand ligt op tien kilometer ten noorden van Puntagorda. Het was er prachtig zonnig weer. Terwijl het in ons dorp, op ruim vijf honderd meter boven zeeniveau en twintig minuten rijden naar het zuiden, maar koud en grijs was, hadden we het hier op zeeniveau  lekker warm,  met een temperatuur van boven de twintig graden.

 

Na de middag bezochten we nog iets verder naar het noorden het oude haventje van Santo Domingo. Het weer sloeg er  langzaam om. De lucht werd grijs. Het eerste begin van de regenperiode, die ruim twee weken zou duren.

 

Op de laatste foto van het blok hierboven zie je ‘onze vriendelijke Matos-heuvel’ vanaf zeeniveau vanuit het haventje van Santo Domingo. Vanaf dit lage gezichtspunt is de Matos een echte berg om te zien. Dat verrast mij iedere keer weer.

 

Thuis aangekomen aan het einde van de middag, was het zo koud geworden dat we voor de eerste keer onze twee nieuw gekochte noodkacheltjes beiden tegelijkertijd aan moesten doen. Gordijnen dicht. Kaarsjes aan. Alsof we in Nederland waren. Geen onverdeeld genoegen, natuurlijk. Wij houden meer van zwoele zomeravonden in de buitenlucht. Maar we hadden een mooie dag gehad, vlak voor de regens uit.

Na Regen komt…

Het is alweer even geleden, sinds ik het laatste blogpostje schreef. Ik had er even geen zin in. Noem het maar ‘Januari-dip’. Druk met werk. Erg druk met regel- en denkwerk over de financiën en de energievoorziening van onze huisjes. Erg veel tijd kwijt aan een opflakkering van mijn altijd latent aanwezige gameverslaving (urenlang Forest Village, wat kan het leven op een bosrijk eiland dat je helemaal van nul moet volbouwen met middeleeuwse huisjes toch mooi zijn). En toch ook wel een beetje last van de corona-kater. Ruud en ik vinden het absoluut niet fijn, dat het door de covid op dit moment niet mogelijk is om met enige regelmaat heen en weer te reizen naar Nederland. Dat was ooit echt WEL de planning, toen we onze overstap richting La Palma maakten. We moeten ons aanpassen, net als iedereen.

 

Dan was het ook nog triest, nat en koud buiten in de eerste weken van het nieuwe jaar. Onze regenmeter liep vrijwel dagelijks over. De middagtemperaturen kwamen niet boven de veertien graden uit. Da’s nog net geen sneeuw schuiven, maar erg bevorderlijk voor het toch al kwetsbare humeur was het allemaal niet.

De roedel kwam bijna het huis niet uit en ontwikkelde een eigen overlevingstrategie met als motto: ‘Onderga Het’. En zorg dat je het warm houdt.. Moet je net hebben met Münsterlanders. Als onze Münstermonsters niet buiten kunnen rennen en ravotten zijn ze binnen niet te houden en gaat de ongerichte energie gierend en brullend alle kanten op. We hadden het dus binnen gezellig met elkaar, terwijl de regen buiten maar bleef stromen. Zijn we niet gewend op ons zomereiland!

 

Wél leuk is te zien op het fotootje hieronder. Een jonge torenvalk die op ons terras onder de dennenboom dagelijks enige beschutting zocht voor de harde wind en de horizontale regen. Helemaal niet schuw. Ik zie de vogel sindsdien voortdurend terwijl hij aan het jagen is op ons terrein. Afgelopen zaterdag, terwijl ik een beetje tussen de fruitbomen liep, landde de valk op nog geen drie meter van mij vandaan op de grond, om daar een beetje onduidelijk in het gras te gaan pikken. Steeds even naar mij opkijkend en dan weer met de snavel de bodem in. Totaal geen angst. Het was een bijzonder moment.

 

Ik durf het beestje nog geen naam te geven, want de recente geschiedenis hier op het eiland leert dat het meestal slecht afloopt met dieren die een naam van mij krijgen. We blijven hem maar aanduiden als ‘de jonge torenvalk’.

Maar zoals altijd: na regen komt zonneschijn. De weersverbetering kwam wel heel geleidelijk en langzaam.

 

Inmiddels zijn de dagen weer droog en zonnig. Het blijft alleen best koud, met een middagtemperatuur van 16, hooguit 17 graden.

Het goede nieuws is dat de waterreservoirs weer gevuld zijn. Het eiland had deze regenperiode nodig, broodnodig. Mijn favoriete waterreservoir, op een landje op ongeveer 200 meter beneden ons erf, stroomt nu zelfs over. Hoezo zuinig met water doen, vanwege het watertekort? Ook het grootste reservoir op het eiland, bij Barlovento in het noordoosten, is weer redelijk goed gevuld. In november stond deze bak helemaal leeg.

 

Op de veldjes rondom onze boomgaard spoot het groene kruid omhoog. Dagelijks zijn er nu steeds meer bloeiende bloemen te zien. Het is echt lente en het is een feest om af en toe een beetje rond te struinen over de lege graslandjes.

 

Op onze finca is de bloemenpracht alweer voorbij. Ruud heeft eind vorige week alle terrassen gemaaid.

 

Groener dan dat de terassen nu zijn, zal het niet meer worden dit jaar.  We vinden het prachtig. Als de zon schijnt, schitteren de kleuren je tegemoet. De regens en stormen hebben ons wel veel sinaasappels gekost. Bij grote wisselingen van de luchtvochtigheid barsten sinaasappels open, en vallen ze van de boom. Ruud haalt op het moment elke twee dagen zo’n drie tot vier samuro’s (dat zijn manden) van de grond. Gelukkig blijven er nog genoeg vruchten over.

 

Vorige week was het precies een jaar geleden dat Óscar een streep in het zand liet zetten en begon met de bouw van onze huizen.

 

Het Grote Huis is inmiddels zo’n beetje klaar. Maar nog niet helemaal. Het kost ons flink wat moeite om te bewerkstelligen dat ook de laatste afwerkpunten worden uitgevoerd. Ook de beide veranda’s moeten nog worden gemaakt. Die veranda’s hebben we erg gemist tijdens de voorbije regenweken.

Het Eerste Kleine Huis vordert langzaam. Er wordt al een tijd met slechts twee man aan gewerkt. Jorge en Angel werken goed, maar met 2 schiet alles niet op natuurlijk.  Het trage tempo is ook een beetje omdat we op de hypotheek aan het wachten zijn. De aannemer beweegt met onze mogelijkheden mee. Omdat Het Virus nog steeds rondwaart over de wereld, lopen we nauwelijks extra omzet mis door het trage tempo. Als het niet gaat zoals het moet, moet het maar zoals het gaat, schrijft de Grote Onbekende Filosoof.  En zo is het.

Het Kleine Huis zag er aan het einde van de vorige week van binnen zó uit. Jorge en Angel vorderen langzaam met het pleisteren van de binnenmuren. Eind maart zal het huis klaar zijn, zo is de bedoeling. Als onze Lieve Heer, het Registro en de Caixabank het willen, kunnen we dan in april starten met de bouw van het Tweede Kleine Huis.

 

 

Over de perikelen rond de voortgang van ons project zal ik binnenkort wat uitgebreider schrijven. Na veel gedoe kregen we toevallig vandaag vanuit twee kanten goede berichten. Althans, daar lijkt het op. Het is altijd maar weer afwachten hoe de hazen uiteindelijk gaan lopen, op ons eilandje. En wanneer ze gaan lopen.

 

Ik sluit maar weer eens af met een zonsondergangfoto. Boven mijn favoriete waterbak.